Jusdhaval (zie een verhaal ontstaan)25962

wallpaper_18325

Droom

De wekker gaat. Eén been, mijn linkerbeen mijn bed uit zoekend naar mijn slippers. Moeizaam volgt mijn rechterbeen, die vindt sneller dan het linkerbeen een slipper. Met mijn tenen werk ik de slipper iets dichterbij en probeer deze aan mijn voet te krijgen. Jammer, past niet, moet de linkerslipper zijn… ‘Tijd om mijn ogen open te doen’, denk ik… Nu gaat het beter, de linkerslipper aan mijn linkervoet, de rechter aan mijn rechtervoet… Ik slof naar de badkamer en probeer met water, een beetje water….wakker worden moet niet te heftig zijn, de slaap uit mijn hoofd te krijgen. Het lijkt te lukken. De mist in mijn hoofd vermindert zich tot een lichte nevel.  Achter mij, achter de badkamerdeur hoor ik mijn vrouw de trap aflopen. Ik pak mijn tandenborstel, poets en spoel de onaangename nachtelijke drab samen met de sprankelende frisheid van de tandpasta mijn mond uit. Terug naar de slaapkamer en aankleden. Dankzij de opgetrokken mist in mijn hoofd is een poging om twee benen in één broekspijp te krijgen snel herkenbaar, kan ik net nog staande blijven en ben ik snel gereed voor een nieuwe dag. Net zoals elke andere dag loop ik de trap af waar twee kwispelende honden, Barry en Mexx mij al opwachten. Anders dan anders is het deze keer mistig op de trap. Een mist die naar beneden toe steeds dikker wordt. Beneden staan mijn honden mij op te wachten. Ik voel hun natte neuzen op mijn arm en hand. Ik hoor de staarten, vooral die lange van Mexx heen en weer zwiepen maar ik zie mijn duo niet. Nu is de lichte nevel werkelijk uit mijn hoofd, mijn hele lichaam verdwenen. ‘Wat is dit nu, brand? En waar is mijn vrouw?’ denk ik.. Het is geen brand, geen brandlucht. Er is meer ruimte om mij heen, meer ruimte dan anders in de nauwe gang. Ik voel met mijn linkerhand achter mij naar de trap die ik zo even afdaalde. Ik voel geen  trap meer alleen, geen trede, alleen maar loze ruimte. Ik voel dat Barry voor mij uit loopt en dat Mexx mij volgt richting kamerdeur. Richting kamerdeur, richting kamerdeur…waar is de kamerdeur? Op de plaats waar de deur zit voel ik geen deur ik zie alleen een lichte vlek in de mist met in de vlek Barry die mij al kwispelend aankijkt. Barry draait zich om, loopt langzaam weg maar blijft mij aankijken alsof hij wil zeggen: ‘Volg mij maar’. Dat doe ik dan ook maar, hij en Mexx weten blijkbaar de weg in deze rare droom. Dit moet toch een droom zijn? Door deze ruimte lopen we naar de plaats waar voor deze dag, voor deze droom de achterdeur zat. Nu zie ik weer een bth_Woef2lichte vlek in de mist die mij in staat stelt Barry te blijven volgen. Ik wil niet naar buiten, stap opzij en zoek een stoel, een bank…Even zitten en nadenken over wat hier gebeurt. Meteen voel ik het hondenlichaam van Mexx tegen mij aan die mij in de richting van Barry stuurt. Alsof ik door twee honden wordt geleid. De ene die mij wijst waar ik moet zijn, de ander zorgt ervoor dat ik op de aangegeven weg blijf. Langzaam word ik naar buiten gedirigeerd. Buiten ruik ik groen, gras, bomen, kruiden…andere geuren dan altijd. Geen ‘mensen’ geuren, auto’s, uitlaatgassen, stank… Ik hoor niet veel, geen gepraat, geen geruis, geen verkeer…alleen mijn zachte voetstappen, het zachte getrippel van de honden en het geritsel van gras. Voort gaat het terwijl heel, heel langzaam de mist optrekt en ik zie dat we door een glooiende grasvlakte lopen. Hier, nu is het gras kort. Daar verder wordt het gras hoger met in de verte, nog verder een bos, een woud met gigantische bomen. Waar ben ik, waar zijn we? Er verschijnt een stralende zon aan een onbekende hemel. Dit nieuwe licht verdrijft de nevel en mist volledig en maakt dat ik kan zien en details van deze omgeving in mij op kan nemen. Deze omgeving, deze wereld is anders dan de wereld die ik ken. Het licht is sprankelend, het groen is groener, het bos in de verte lijkt door de omvang van de bomen indrukwekkender, de lucht is frisser, energieker. In de verte hoor ik nu wel geluid, het vrolijke geluid van vogels die de zon en het begin van een nieuwe dag begroeten. Barry en Mexx lopen nu naast mij, vrolijk en alert. Af en toe holt er één van de twee vrolijk een rondje om mij en de andere hond heen. Zij lijken deze omgeving te kennen en leiden mij samen door het gras richting woud. Hoe hoger het gras wordt, hoe dichter ik bij het woud kom en hoe imposanter de bomen worden. Hier aan de rand van dit bos staan bomen die eeuwen oud moeten zijn. De omvang van deze stammen is gigantisch. De kronen zijn zo omvangrijk dat zij halve voetbalvelden van schaduw zouden kunnen voorzien. Toch is dit geen sinister bos, geen donker oerbos, geen oerwoud waar je met moeite door het kreupelhout en stammen heen worstelt. Deze bomen hebben ruimte om te groeien, geven elkaar ruimte om te bestaan en mij de ruimte ze te bekijken, te verwonderen en te bewonderen. Wij vervolgen onze weg naar een beekje waar de honden hun dorst lessen. Ik ga zitten en bekijk de omgeving. In de grond naast het beekje zie ik wat afdrukken van poten. Andere poten dan die van Barry en Mexx. Grote en kleine afdrukken over en door elkaar heen. Ik kan  bij geen enkele afdruk een dier plaatsen maar zie geen afdrukken van al of niet geschoeide mensenvoeten. Ik begin zelf honger te krijgen en vraag mij af of mijn honden geen trek hebben. Normaal hebben ze rond deze tijd in de ochtend allang gegeten. Ze hebben hun dorst gelest, komen overeind en naar mij toe. Meteen maken zij aanstalten om door te gaan en controleren of ik begrijp dat ik weer moet volgen. Zoals het een hondenbaas in een voor hem vreemde wereld betaamt volg ik de leider en zeg zachtjes tegen mijzelf:  ’wroeff, volg’.  Twee vriendelijke hondenkoppen draaien mijn richting op en lijken mij lachend aan te kijken.  Ik lach terug en zeg: ‘Ja,ja, jongens…..wroeff…ik volg jullie…en heb honger’. Hoe langer ik mijn twee honden volg, hoe verder ik van huis ga, hoe vreemder ik alles begin te vinden. Voor een droom is deze wereld, deze werkelijkheid te reëel. Voor een droom is de snelheid waarmee ik door dit landschap wandel te laag. Dromen vliegen voorbij. In mijn dromen heb ik geen honger, geen dorst. Nu wel. Het maakt mij onrustig.. Hier lopen, hier zijn, samen met Barry en Mexx kan geen werkelijkheid zijn… Dit kan niet, of wel? Verward kijk ik op mijn horloge en zie dat het volledig tot stilstand is gekomen. Niet weten waar ik ben, niet weten hoe laat het is, niet weten hoe ik aan eten kom, niets weten, helemaal niets weten. Barry en Mexx lijken mijn onrust te voelen. Ze stoppen en komen naar mij toe en tegen mij aan staan. Hun warme lichamen voel ik door mijn broek heen. Dat vertrouwde, bekende gevoel, de warmte die van deze twee uitstraalt brengt mij tot rust en ik besluit mijzelf niet meer in verwarring te brengen. Niet na denken over hoe en wat, over reëel en irreëel. Is dit een droom dan word ik ooit wakker. Is het geen droom dan is het een uitdaging, een avontuur, één groot avontuur…   Grot

Een grot

Des te dieper wij het bos ingaan, hoe glooiender de omgeving wordt. Lopend in de dalen zie ik tussen de bomen door heuvels verschijnen en af en toe vreemde, omhoogstekende kale stukken rots als wachttorens tegen de hemel afsteken. Wij lopen uren door af en toe onderbroken door korte rustpauzes waarbij de honden en ik onze dorst lessen door het koele, heldere water uit de beekjes te drinken. Gaande weg zie ik steeds meer dieren. Wilde zwijnen, vossen, konijnen, hazen, reeën herten. Elk dier dat wij tegen komen stopt met wat het aan het doen is en staart ons na. Barry en Mexx slaan geen enkele acht op die dieren. Vreemd want in mijn wereld is elk ander dier voor hen een uitdaging, iets om achteraan te gaan, te hollen, te pakken.  De honger begint nu ook goed toe te slaan. Gelukkig ben ik niet de enige die er last van heeft. Mexx die altijd kan en wil eten blaft naar Barry die meteen stopt. Mexx loopt weg terwijl Barry bij mij blijft staan.  Plotseling staat Mexx voor mij met een appel in zijn bek. Mexx legt de appel voor mij neer draait zich om en verdwijnt weer in het bos. Terwijl ik hongerig van de heerlijke appel geniet gaat Barry rustig liggen. Na een tijdje verschijnt, onder het lopen door zijn bek aflikkend Mexx weer. De twee honden wachten liggend tot ik, langzaam etend mijn appel op heb. Zodra ik klaar ben met eten staan ze beiden meteen weer op. Blijkbaar moeten we weer gaan.  Zij weten waar naar toe. Ik nog niet. Hoe dieper wij het woud inlopen hoe dichter het woud wordt. Eerst nog open plekken, bomen op gepaste afstand. Nu veel bomen, naaldbomen, loofbomen, groot, klein en veel struiken waardoor wij ons een weg banen. Voor de honden is het simpel ze wurmen zich makkelijk door de struiken heen. Ik heb moeite om er door heen te komen vooral door de laaghangende takken van de bomen waardoor ik al bukkend door dit gedeelte van het woud te schuifel. Op het moment dat ik er helemaal doorheen breken wij door de bomen en struiken heen en lopen op een gigantisch grasveld. Achter ons een nu donker woud en een ondergaande zon. Ik volg mijn tweetal over het gras in het licht en ruimte naar een steile rots die ik in de verte zie. Op het gras liggen allerlei dieren. Ik zie: beren, meerdere soorten, groot en nog groter. Roodbruine vossen, prachtige wolven, donkerbruine reeën, statige herten. Het veld is vol met vogels, groot en klein… en alles is onnatuurlijk stil. Geen geluid klinkt hier anders dan het geruis van het gras dat zich onder onze voeten en poten kromt. Als wij wat dichter in de buurt van de rots komen gaan de dieren staan en stijgen er vogels op. Angstig, dreigend is het  alsof zij ons opwachten en dan gaan verscheuren. Barry en Mexx stappen rustig door. Kijken nauwelijks naar al die dieren. En ik, ik kan niet terug, geen idee waar ik naar toe zou moeten. Ik kan niet anders dan mijn honden volgen, hopend op een wonder of het ontwaken uit deze vreemde droom. Terwijl wij langzaam de dieren bereiken vormen zij op 20 meter naast en achter ons een rij, een escorte dat langzaam en rustig met ons oploopt en meevliegt naar de rots. Geen geluid komt er die troep dieren. Geen vogel die roept of zingt, geen dier dat brult. Alleen het geluid van twee voeten, veel dierenpoten in het ritselende gras en het geluid van flappende, klappende vleugels in de lucht. Hoe dichter wij bij de rots komen, hoe donkerder het wordt. Niet alleen wordt het langzaam avond maar verandert het weer ook. Dreigende donkere wolken, langzaam aanzwellende wind en een dalende temperatuur. Bij de rots aangekomen begint het ook daadwerkelijk te regenen en terwijl wij een pad de rots op volgen gaat het stortregenen. Enorme stromen water lopen het pad af dat wij oplopen. Na een uur dit slingerende pad gevolgd te hebben gaat de regen over in sneeuw. Koud, koud, twee witte honden voor mij, de koppen naar beneden stug doorstappend op het steeds gladder wordende steile pad. Na een paar uur, terwijl de sneeuw mij verblind, glijdend en versteend van de kou het pad gevolgd te hebben stapt Barry opeens naar rechts. Ik begrijp niet goed waar hij op is gaan staan.  Het lijkt alsof hij op de schuine bergwand staat en dat is onmogelijk. Hij kijkt om en mij dwingend aan. Ik begrijp dat hij verwacht dat ik hem volg. Voorzichtig zet ik een voet naar rechts. Op de bergwand, onder de sneeuw bevind zich een heel smalle richel waar ik net een voet op kan plaatsen.  Het is maar goed dat de sneeuwjacht ervoor zorgt dat ik de diepte niet kan inkijken. Als het helder was geweest had ik geen stap verder gegaan. Barry loopt voorzichtig iets verder de richel op. Met één hand steunend op de wand plaats ik mijn andere voet op de richel.  Achter mij stapt ook Mexx de richel op. Langzaam volgen wij de richel die een scherpe bocht naar links maakt. Met het draaien van de bocht wordt de richel breder en lijken wij in de wand te verdwijnen. Weg is de sneeuw, weg is de wind en langzaam maar zeker verdwijnt ook het licht. Achter mij hoor ik het geluid van ademende dieren, het getik van hoeven en poten op de richel. In het donker komen wij langzaam vooruit. De honden snuiven, alsof zij een geurspoor volgen. Ik probeer dicht achter hen te blijven en af en toe voel ik een achterpoot tegen mijn been.  Een optocht van mens en dier op een donker bergpad. In de verte verschijnt een licht. Ik begin iets van de honden vlak voor mij te zien. Als ik omkijk is het achter mij nog donker, ik zie slechts de weerschijn van het licht in vele ogen. Boven mij gefladder van vogels die dit vreemde pad met mij volgen.  Het pad dat breed is nu, hoge wanden naast ons terwijl mijn honden naast mij gaan lopen en doelbewust richting het licht stappen. Het licht dat een opening in de wand blijkt en waar wij even stilhouden. De stoet achter mij stopt en wacht tot wij verder gaan. Voorzichtig kijk door de opening naar binnen en zie een grot waar het licht uitnodigend door een grote opening aan sorceress_by_fdasuarez-d56bhnfde andere kant van de grot naar binnen schijnt. Een grot begroeid met groen, fris, uitnodigend groen en een langharige vrouw, begeleid door haar huisdier die ons vriendelijk lachend naar binnen wenkt. Ondanks het uitdagende uiterlijk van het huisdier een witte tijger, stapt mijn dapper tweetal zonder aarzelen de grot in. Ik volg en om mij heen wandelen en vliegen dieren, de dieren  die ons op onze tocht vergezeld hebben de grot binnen.  Dassen, ratten, marters, bunzingen, muizen, vleermuizen, edelherten, eekhoorns, zwijnen, wezels, hazen, konijnen, vogels, vogels, vogels.. Vol verbazing sta ik stil en zie de grot zich vullen met vriend en vijand die in de deze groene ruimte een plekje zoeken en zich, rustig, vredig, veilig voelen. De vrouw, met de tijger aan haar zij stapt op mij af en zegt: “Welkom, ik ben Hilde. Jij weet het niet, maar wij hebben je verwacht.  Na de lange vermoeiende reis is het het nu tijd voor jou en je metgezellen om te eten en enige tijd te rusten.”  Na deze dwaze, lange, vreemde wandeling, begeleid door het halve dierenrijk wilde ik wat meer dan eten en rusten en vertelde Hilde dat ik nu, en wel meteen wilde weten wat ik hier moest doen en waarom ik hier terecht was gekomen. Hilde antwoordde: “Jusdhaval”, knikte naar mij, klapte in haar handen waarop er tientallen chimpansees verschenen. Chimpansees, groot en klein die vliegensvlug en al jonglerend schalen voedsel onder alle aanwezigen verdeelden. De witte tijger deelde dezelfde schaal met mijn tweetal. Ik zag zwijnen die hun schaal met eekhoorns deelden. Ik zag Vogels tussen ratten en marters eten…. terwijl ik dacht aan wat Hilde zei, “Jusdhaval”. JusdhavalHoe kan dit, hoe weet Hilde van Jusdhaval?  In gedachten verzonken begon ik automatisch te eten. Een schaal met vreemde, onbekende vruchten en iets dat op brood leek maar nog beter smaakte. Ik herinnerde mij het bezoek aan het Fitzwilliam museum in Cambridge waar ik een schilderij van een prins zag. Een prins zonder naam. Ik ben niet iemand die vaak dromen kan onthouden. Maar de nacht na het museum bezoek dus wel. In mijn droom heette de prins Jusdhaval. Het was deze Jusdhaval die met zijn gehele gevolg door zijn vijanden werd bedolven onder rotsblokken. Dat was mijn droom, meer niet. Een naam, een prins en donkere, grove, gewelddadige wezens die vanuit de hoogte met donderend geraas honderden mensen onder rotsblokken bedolven. Aan mijn voeten liggen drie volgegeten dieren, twee honden en een witte tijger tegen elkaar aan. Her en der liggen groepjes dieren in de grot te slapen. Duiven slapen op de schouders van een paar zwijnen die kop aan kop liggen met een paar dassen. Hilde en haar chimpansees zie ik nergens. Langzaam vallen mijn ogen dicht, één laatste gedachte dwaalt nog even door mijn hoofd, Jusdhaval, tweemaal in een droom.  Straks, straks gewoon thuis maar wakker worden. Uren later bereikt de geur van koffie mijn neus. “Koffie, koffie”, denk ik. “Dit is thuis!”, waarna ik heel voorzichtig en hoopvol mijn ogen open en in de prachtige maar niet gewenste ogen van een tijger staar. myth

De mythe

Hilde brengt mij koffie en neemt plaats naast mij. De dieren wandelen rustig in en uit de grot. Door de grote opening, tegenover de opening waardoor wij de grot zijn binnen gekomen zie ik andere wereld als de mij bekende. Andere kleuren, meer goud en een donkerder groen kleuren deze wereld anders. Ik zucht, ik kan aan deze wereld niet ontsnappen. Hilde neemt een slok van de koffie, lacht mij toe en zegt: “Het moet wel heel vreemd voor je zijn om opeens je normale leven te verlaten en in deze wereld terecht te komen.”  “Wat doe ik hier”, zeg ik bruusk. Hilde glimlacht weer en zegt, “Je weet van Jusdhaval”.  Ik vertel haar het beetje wat ik van de droom van zolang geleden heb onthouden. “Een droom Hilde, niets meer dan een droom over een schilderij Hilde”, zeg ik boos. “Nee”, zegt Hilde. “Jusdhaval is meer dan een schilderij. Jusdhaval is geen droom, hij is een mythe. Dat wat goed is was Jusdhaval. Hoewel hij,  zoals je weet is bedolven onder rotsen bestaat Jusdhaval in deze wereld. Hij was de man die er voor zorgde dat mens en dier in deze wereld samen konden leven. Een mythe die waakte over goed en fout. Deze wereld is anders dan de wereld die jij kent. Anders ook dan de wereld die ik ken. Maar ook in de wereld van Jusdhaval kunnen mensen door hebzucht of afgunst of om wat voor reden dan ook anderen verraden. Vanaf een verre wereld verscheen er in de wereld van Jusdhaval een wreed ras, de Hokaward  die mensen beinvloeden en hen vertelden dat zij rijk zouden worden, kunnen hebben wat zij wilden  als zij zouden helpen de macht van Jusdhaval te breken. Het waren die mensen die Jusdhaval naar een vallei lokten, het waren de wrede, sterke Hokaward die Jusdhaval en zijn gevolg onder de rotsen bedolven. De mensen van deze wereld zijn geknecht, zijn nu slaven van de Hokaward en hebben geen vrijheid. Het zijn de dieren van werelden die weten dat jij van Jusdhaval weet. Die weten dat jij weet hoe Jusdhaval te bevrijden is. Het zijn de dieren die onder jouw leiding de strijd met de Hokaward willen aangaan en deze wereld wil bevrijden van haat en dood.” Ik ben stil na deze korte monoloog. Teveel gedachten vliegen door mijn hoofd. Gedachten waarin woorden zoals ‘onzin’, ‘idioot’ en ‘gek’ regelmatig voorkomen. Ik zucht nog maar eens en dwing de gedachten in mijn hoofd tot een pauze. Ik bedenk mij dat ik nog wel wat koffie zou willen drinken en meteen na die gedachte zie ik één van Hilde’s apen de grot in springen en een mok met koffie vullen. Huppelend komt hij op mij af en reikt mij de mok met koffie aan. De zoveelste keer dat het begrip ‘verbazing’ bij mij tot grote hoogte stijgt. Zou het kunnen dat de aap op mijn gedachte reageerde? In gedachten roep ik hard: “Barry, Mexx!” en binnen een paar tellen zie ik mijn twee aandachtige metgezellen al kwispelend voor mij staan. Dit is wat ik thuis niet kan, hier wel. Maar zou dat ook andersom kunnen werken? Is het mogelijk dat dieren mij met hun gedachten kunnen bereiken?  Geconcentreerd beluister ik tussen de afwijzende en twijfelende gedachten die vanuit mijzelf door mijn hoofd spoken het achtergrond geruis… Niets hoor ik, niets zie ik, geen gedachte die niet van mijzelf lijkt te komen. Ik neem een flinke slok van de koffie en dan plots klinkt het hard door mijn hoofd.  Een krijsende havik heeft ver weg een 414312Hokaward gespot. Naast het gekrijs vormt er zich in mijn hoofd een beeld van een bizar, vreemd en afschuwelijk wezen, een Hokaward gezien door havikogen. Met dat geluid, klinken duizenden stemmen in mijn hoofd. Stemmen vol afgrijzen, woede en verdriet. Stemmen van dieren, gedreven dieren die nu eindelijk de terreur in hun wereld willen gaan verdrijven. Dieren die hun hoop gevestigd hebben op mij, die mij vragen, mij smeken hen te helpen. En ik, al weet ik nog niet hoe, ik  brul in mijn hoofd en voluit, “Ik doe het, het is goed”. Op de rand van de opening van de grot, de toegang naar deze vreemde wereld kijk ik uit over een onbekend landschap. Ik vraag de dieren hoe de wereld waar zij leven heet. ‘Iarga’, klinkt het in duizenden gedachten. Ik besluit deze dag te gebruiken om Iarga te leren kennen en vraag de vogels om voor mij te vliegen. Vanuit de grot zie ik meteen wolken met vogels opstijgen en zich over de wereld verdelen. Beelden bereiken mijn hoofd, beelden van een prachtige wereld.  Maar ook beelden van ravage, weggevaagde dorpen. Omheinde kampen waar mensen, naakt of gekleed in lompen werken. Lijken van mensen, dieren her en der verspreid of op stapels, slachtoffers van de terreur van beesten. Ik vraag een Arend mij de plek te laten zien waar Jusdhaval bedolven ligt. Ik zie een kale, ronde  vallei, omringd door hoge rotsen. Dat is de plek waar wij moeten zijn.  Ik vraag de dieren hoe daar te komen en hoor de gedachten van dieren die met elkaar bespreken wat de veiligste route naar de vallei is.  Ontelbare stemmen, grote, kleine, vliegende, lopende, kruipende, klimmende, springende, zwemmende en ondergronds levende dieren die als mensen, meningen geven. Hoe bijzonder is dit en hoe groot zal dit leger van dieren zijn? Ik verlaat de grot en loop naar buiten de bodem van Iarga op. Ik wandel en bekijk de wilde dieren die met mij willen strijden voor iemand die ik eenmaal op een schilderij zag. Een jongen met de naam Jusdhaval. art-bridge-creative-myth-eagle-man-nature-646x970

De brug

Na een avond van heerlijk eten en een nacht vol onrust neem ik in de ochtend wat dringende besluiten. Het is niet handig om alle dieren van een wereld rond mij heen te hebben. Het is nodig hen over Iagra te verdelen zodat ik van informatie voorzien kan worden en ik vraag van elk soort dier twee vertegenwoordigers om met mij en mijn honden mee te gaan.  De dieren die van de aarde zijn meegekomen vraag ik om nabij de grot te blijven om de weg terug voor ons en voor Hilde en haar aardse tijger te bewaken. Hilde en haar tijger wachten bij de grot op onze terugkomst.  Ik weet, ongeveer welke richting wij moeten lopen. Om de Hokaward te ontlopen reizen wij via een omweg.  Het plan is na een dag lopen de brug van Jusdhaval te bereiken en daarna door te reizen naar een kouder gebied op Iarga. Het schijnt heel makkelijk te zijn de zuidpool van Iarga te doorkruisen. Na een goed ontbijt vertrek ik met mijn groep. Links naast mij loopt Mexx. Rechts naast mij loopt Barry, zij aan zij met een oude leeuw, die ik, hoe kan het anders ‘Leo’ noem.  De rest van de dieren, uitgezonderd de vogels volgen ons. De vogels zijn vooruit gevlogen en observeren wat voor ons ligt. Het is de leeuw die in gedachten begint te vertellen over de brug. Hoe die gebouwd is als dank voor Jusdhaval.  Jusdhaval die Leeuwuit dezelfde grot vanuit de Aarde op Iarga is gekomen.  Jusdhaval een mensenzoon die de mensen op Iarga leerde in vrede met de dieren te leven. Jusdhaval die de verschillen tussen mensen en dieren overbrugde. Jusdhaval die alles zag en daarom in de brug, als eerbetoon met een vogelkop is afgebeeld, terwijl zijn armen de onheilspellende diepte overbruggen. Wij dalen langzaam af naar een groene vlakte met af en toe een boom. Ik zie met anders gevormde bladeren dan op aarde.  Er zijn bomen die ander vruchten dragen maar ik zie ook eiken- en dennenbomen. Op een plek staan vruchtenbomen bij elkaar. Appel, peer en een mij onbekende boom met grote vruchten die als rijpe appels onder de boom liggen. Het blijkt een vrucht te zijn die alle dieren eten. Zelfs vleeseters staan vooraan om van deze vrucht te eten. Als ik de vrucht proef  lijkt het op het brood dat Hilde ons in de grot presenteerde, smaakzaam voedzaam eten. De dieren wandelen na het eten van deze vrucht rustig naar een beekje en laven zich aan het water. Rustig en ontspannen lopend gaan wij even later richting brug. Het is de ontspannenheid van de dieren die mij verbaast. Geen dier die de omgeving bekijkt, geen vogel die ik rond om ons heen ziet cirkelen. Geen dier dat uitkijkt naar een Hokaward. Ik vraag de dieren waarom zij zo rustig zijn, waarom zij niet uitkijken naar een vijand. Het is Leo die antwoord geeft; “De brug” zegt hij, “houdt die beesten tegen. Geen Hokaward die daarover kan. Het is de brug van Jusdhaval. De brug laat ze in het ravijn  storten als die beesten één stap op de brug zetten.” Verbazing begint bij mij een gewoonte te worden. Ik wil meer weten maar de dieren herhalen dat wat Leo vertelde en zeggen dat ik het ga begrijpen als wij de brug oversteken. Na zo’n twee uur lopen, bereiken wij een beekje waarin de dieren en ik ons verfrissen. Koel helder water drinken terwijl anderen in het water rondspartelen of zwemmen.  Ik zie mijn honden met andere dieren in het heldere water rondjes zwemmen. Ik werp een tak het water in en spontaan ontstaat er een wedstrijd tussen leeuwen, tijgers, ezels, paarden, honden om als eerste de tak te kunnen grijpen en snel naar mij terug te brengen.  Daar sta ik, tot aan mijn knieën in het water te kijken naar iets wat in mijn werkelijkheid niet zou kunnen, niet kan bestaan. Maar ik ziet het, ik ben hier op Iarga. Na dit waterfeest lopen wij wat sneller door zodat wij de brug voor het donker kunnen bereiken en dan morgenochtend vroeg de brug kinnen oversteken. Al lopend blijven wij dalen. Dit gedeelte van de bodem ligt lager en is droger, beekjes zijn verdwenen terwijl de temperatuur is gestegen. Bomen zijn vervangen door dorre struiken en ik begrijp waarom elk dier zich nog even in dat heldere, koele water wilde wentelen. Ik zie inmiddels de vooruit gezonden vogels in de verte rondcirkelen boven iets wat op een blauwe rots lijkt. Achter het blauw zie ik grauwe, bruine rotsen en bovenop de rots iets wat op een veste lijkt. De dieren naast mij beginnen wat harder te lopen, nemen mij mee in hun tempo en ik begrijp dat het einde van onze dagmars nadert. Ik zie wat grote vogels boven de in de verte gelegen veste vliegen en kreeg in mijn hoofd te horen dat zij daar geen Hokaward’s, geen beesten kunnen zien.  Als wij langzaam dalen en ik meer zicht krijg op de brug zie ik een gigantisch mensenfiguur van honderden meters groot, met de kop van een blauw gekleurde roofvogel die met gebogen knieën en gespreide armen een diep ravijn overbrugd.  Jusdhavals gespreide armen, gestrekte schouders die als wegdek dienen en toegang geven of toegang weigeren door een vuist te heffen, een schouder op te halen of een been te strekken. Dit is de brug van Jusdhaval. Die avond zitten mens en dieren broederlijk naast en door elkaar en bekijken de brug, de rotsen met de veste aan de overkant en horen in de diepte van het ravijn het geraas van watervallen en een heftig bruisende rivier. En s’nachts als de temperatuur tot een diepte daalt kruipen mens en dieren dicht tegen elkaar aan, delen hun lichaamswarmte en denken voordat zij in slaap vallen aan wat er morgen gaat komen op het pad naar Jusdhaval. Peinzend lig ik warm maar wakker. Ik bedenk mij dat morgen na de brug het echte avontuur gaat beginnen. Dat wij dan te maken kunnen krijgen met de Hokaward’s, de beesten. De beesten waar ik te weinig van weet.  Wat ik wel weet is dat wij morgen na de brug meteen de weg naar de zuidpool van Iarga kiezen. Te beginnen met een lange voettocht en daarna een reis per boot om de zuidpool aan de veilige kant te kunnen bereiken om dan via een gebergte de vallei te vinden waar Jusdhaval bedolven ligt. Als ik in vroeg in de morgen, na wat dutjes wakker lig en de langzaam wakker wordende dieren om mij heen zie, begrijp ik dat het nu dan werkelijk gaat beginnen. Wat vooraf ging was een vreemd kinderspel, een fantasie met dieren.  Wat er vanaf nu gaat gebeuren maakt mij ongerust. Met dezelfde dieren proberen de ‘Beesten’ te ontlopen, niet met de beesten in gevecht te raken is te mooi zijn om waar te zijn. Maar wij gaan het proberen.  Ik roep voluit; “Kom we gaan” en iedereen lijkt het te begrijpen. De lopende dieren komen naast mij staan en de vogels vliegen op en gaan voorop richting brug.  De wandeling is kort,  binnen een uur hebben wij de brug bereikt en staan wij voor de imposante handen die open en uitnodigend op ons pad liggen.  Niet op mij wachtend en opgetogen stromen de dieren de brug op. Ik hoor ze in mijn hoofd juichen, het is nu tijd om Jusdhaval te redden, met de beesten af te rekenen en ze uit Iarga te verdrijven.  Dan hoor ik in mijn hoofd wat vogels krijsen.  In en om de Veste en verscholen aan de andere kant van de brug zijn er beesten te zien. Het lijkt alsof ze ons verwachten. Ik laat de groep stilhouden op de rechterschouder van de brug en bekijk door de ogen van de vogels wat de situatie is. In de veste, die de dieren hier Tolb noemen zijn een twintigtal Hokaward’s te zien. Zij zijn bewapend met bijlen en zo’n 3 meter groot. Rond de Tolb nog een tiental beesten met kruisbogen en aan de overkant van de brug, in een hinderlaag 20 beesten met kruisbogen die de linkerarm van de brug zouden kunnen bereiken. Ik vraag de vogels in Iarga om vliegende versterking en verzoek hen om zo hoog mogelijk te blijven vliegen zodat zij niet beschoten kunnen worden en ga met mijn groep op de rechterschouder van de brug zitten.  Eerst op een veilige plek maar eens nadenken hoe dit op te lossen is. In mijn hoofd hoor ik de verontwaardiging van de dieren op Iarga. Dieren groot en klein die hun woede met mij delen. Dieren klein, muggen, vliegen, mieren, vlooien, luizen, slakken, schorpioenen, slangen, alles wat kruipt, steekt, springt, bijt laat zich horen. En ik weet de oplossing ik vraag alles wat irritant klein, vervelend en gevaarlijk is zich op de beesten te storten. Ik vraag de slangen en schorpioenen de beesten in de Tolb aan te vallen en de kleine irritante zich op de boogschutters te richten. Zodra zij aanwezig zijn zal ik het sein voor de aanval geven. De Hokaward’s hebben dikke vachten waarin al dat kleine irritante grut zich heerlijk kan gaan uitleven terwijl ik een tweede aanval kan voorbereiden. Ik zeg tegen de dieren die mij begeleiden op dezelfde plek te blijven terwijl ik naar de linkerschouder van de brug loop. Ik vraag de vogels te observeren tot hoever de pijlen van de beesten reiken en mij te waarschuwen als zij de pijlen te dicht bij mij terecht gaan komen. Mijn vliegende radar reageert prima.  Zij geven netjes aan dat ik tot halverwege de linkerschouder kan komen zonder door de pijlen geraakt te worden. Als laatste vraag ik de grote vogels zich voor te bereiden op de afsluitende actie. Ik klauter terug naar de rechterschouder. Ik ga zitten in de schaduw van het hoofd van de brug, drink wat meegenomen water en wacht rustig tot het ongedierte van Iarga mij gaat vertellen dat zij gereed zijn voor de aanval. Twee uur later is het zover, stemmen en beelden in mijn hoofd. Wat ik zie is onbeschrijfelijk en laat mij hopen dat deze dieren zich nooit op deze wijze tegen mij keren. Miljoenen kleine kronkelenden, kruipenden en springende dieren die gereed en gespannen wachten tot het sein van mij gaat komen.  Om de aandacht van de beesten op mijzelf te richten loop ik naar de linkerschouder van de brug en geef het sein;  “voor Jusdhaval”. Tegen de vogels zeg ik dat zij zich gereed kunnen maken. En ik zie de grote vogels in het gebergte voor en achter mij de keien rapen, opstijgen en daarna boven de in paniek geraakte beesten cirkelen tot ik nogmaals in gedachten roep; “Voor Jusdahval”, keien vallen als een bombardement uit de lucht en vernietigen de in de hinderlaag wachtende Hokaward’s, de beesten. Een van hen heeft kans gezien met een pijl een prachtige Zeearend in zijn vlucht te raken. Het in zijn duikvlucht stervend dier dook door en doodde het beest alsnog met de meegenomen kei en zijn eigen lichaam. De weg na de brug is vrij en ik bedank de dieren. . desert-71605

De weg

De honden en de leeuw naast mij op het pad.  Om ons heen dieren die wandelen, vliegen en pas rusten als ik stop. Ik stop regelmatig om dan vol aandacht door de ogen van dieren het landschap te kunnen bekijken. Vooral de vogels met hun scherpe blik laten heel gedetailleerd veel van het landschap zien.  Geen beest te ontdekken, alles lijkt veilig.  Wij lopen nu al uren na het gevecht in de ochtend en het is nu tijd om nu een veilige plek of onderkomen voor de nacht te vinden. Het landschap begon groen, bossen en een zandpad tussen bomen en groene weiden.  Binnen enkele kilometers lopen is de omgeving verandert. Bomen zijn vervangen door doornige struiken, gras door zand. De temperatuur is gestegen en met de stijging en de verandering, verdorring van het landschap worden de dieren om heen mij onrustiger. Zij vertellen mij, laten mij voelen dat er iets is, of iets staat te gebeuren maar kunnen niet aangeven wat dat iets kan zijn. Ik vraag aan de dieren de omgeving goed te bekijken en te zoeken naar een veilige plek om de nacht door te brengen. Terwijl de zon daalt neemt de onrust bij de dieren toe.  Ik ervaar de onrust en wanhoop. De beelden die ik van onrustig, schreeuwende vogels ontvang zijn vreemd vervormde en gekleurde plaatjes waarbij de details volledig zijn verdwenen. Het zijn de vogels waarbij als eerste de paniek toeslaat. Zonder zicht kunnen zij niet vliegen, Ik hoor, zie en voel de paniek als een groot aantal vogels zich te pletter vliegt en anderen gedesoriënteerd en vaak dodelijk gewond ergens op de bodem van Iarga belanden. De ogen van de vogels in dit gebied zijn onbruikbaar geworden en velen van mijn geverderde vrienden sterven. Ik besluit kilometers terug te lopen naar een klein bos omringd door graslanden om daar in het bos te kunnen schuilen en waarbij wij uitzicht hebben over het land om ons heen. Ik roep de dieren, zeg hen met mij mee terug te lopen en bemerk dat de onrust en wanhoop af begint te nemen als wij wat groenere streken bereiken. Na uren wandelen bereiken wij het bos, is de onrust bij de dieren verdwenen en is het mogelijk gedachten bij hen uit te vragen. De dieren die deze omgeving kennen vertellen mij dat het zij gebied waar wij liepen niet herkenden en dat in die dorre streek onrust, angst en paniek bij hen begon op te spelen en dat zij niet weten hoe dat komt. Ik begrijp uit hun gedachten dat het dorre gebied eerder niet aanwezig was en nog maar kort aanwezig is. Geen dier, zelfs geen woestijnwezens die dit gebied herkennen. Elk dier had verwacht tussen groene weiden en bossen onze reis te kunnen vervolgen. Elk dier raakte gedesoriënteerd, verward, angstig en onrustig zodra de ‘dorheid’ het overnam van de groene natuur. Ik weet nu dat ik de Hokaward niet kan onderschatten. Ze hebben meer ter beschikking dan een bruine vacht, kruisbogen, bijlen en wreedheid. Zij lijken andere middelen ter beschikking te hebben. Middelen waarmee zij de dieren op Iarga angstig, wanhopig en onrustig kunnen maken. Middelen waarmee zij vogels het zicht kunnen ontnemen. Middelen die tot paniek kunnen leiden. Middelen die mijn gedachten de komende nacht bezig gaan houden want mijn gedachte dat de Hokaward Maan2beesten waren die alleen met middeleeuwse wapens vechten lijkt wat achterhaalt. Wie zijn de Hokaward, waar komen ze vandaan en is er iemand die hen stuurt? Die nacht zit ik in het bos op een rotsblok. Het is stil en geconcentreerd speur ik , luister ik , zoek ik  naar de gedachten van alles wat op Iarga leeft. In de hoop dat ik iemand een dier, een mens, een hokaward of wat dan ook heel voorzichtig een tipje van de sluier van Iarga oplicht en ik weet. Terwijl een volle maan op mij schijnt en de dieren slapen of de wacht houden. Luister en kijk ik naar de gedachten van dieren die slapen en naar de gedachten van de wakenden. Ik stel geen vragen, geef geen opdrachten maar blijf stil aanwezig observeren. Gedachten, beelden van verderweg ga ik horen en ik filter de bronnen van heel dichtbij weg.  Zachtjes fluisterende gedachten, wazige beelden komen binnen en beginnen langzaam aan duidelijk te worden. Ik richt mij op drie bronnen. Drie bronnen die menselijk lijken te zijn. Als ik één bron kies en de overige bronnen laat voor wat het is zie en hoor ik de gedachten en beelden van een oude man die net als ik wakker is en zich niet bewust is van mijn aanwezigheid.  Hij lijkt op de rand van een rots te zitten en kijkt over de onder hem liggende wereld uit. Hij mijmert over hoe het was, bezig met zijn verleden terwijl ik met hem meekijk. Hij is vrij, hij rouwt om zijn vrouw en kinderen die verdwenen zijn. Ik zie zijn herinnering, hoe hij thuis kwam en er niets meer was dan een plek waar zijn huis had gestaan. Ik voel zijn haat voor de hokaward en de nog grotere haat voor een magier die hij Feist noemt. Feist die de beren veranderde, hen muteerde tot de hokaward, de beesten. Hij vraagt zich af of Marik dood is. Marik de magier die Jusdhaval steunde en beschermde tot die ene dag waarin beidenplots verdwenen. De oude man staat op slaakt een diepe zucht, die ik tot in mijn tenen voel en ik voel hem denken dat het tijd is om te gaan. In het donker kunnen de hokaward hem niet zien. Ik wacht en luister stil tot ik de andere stemmen, de twee die menselijk lijken weer bemerk. Ik richt mij op de zwakste en magier_marik_by_amiroteia-d3g3imwkreeg dan meteen een heel sterk mentaal beeld door.  Een slanke man, punthoed en een staf, ik schrik. Als het verhaal van de oude man waar is, ervaar ik nu één van de twee magiers en is het maar de vraag met wie ik nu te maken heb. Ik blijf stil, reageer niet op het beeld dat ik ontving en word dan meteen aangesproken:  “Alleen luisteren Jusd, geen gedachten delen, ik ben Marik,” zegt de stem in mijn hoofd. Ik blijf stil, het is nog maar de vraag met wie ik te maken heb en wacht rustig af. “Een tijd geleden Jusd zag jij een schilderij en nodigde een dame jou uit voor een ‘high tea en die dame heeft jou iets gegeven.” Nu lukt het niet om stil in mijn hoofd te blijven en ik denk terug aan mijn bezoek aan het Fitzwilliam museum in Cambridge waar ik tijdens het bezoek aan het museum en het bekijken van het schilderij van Jusdhaval werd aangesproken door vriendelijke Indiase adelijke dame die mij voor een high tea uitnodigde.  Die high tea in dat land werd meteen mijn laatste. Te sterke thee of omdat ik Nederlander ben te slappe koffie met zoete onduidelijke hapjes is niet mijn idee van hoogstaand vermaak. En inderdaad de dame had mij iets gegeven omdat ik iets te lang naar het schilderij van Jusdhaval staarde en zij dacht dat ik daar iets mee had. Ik werkelijk had ik slechts gedacht dat het een goed geschilderd plaatje was van een pafferig Indiaas manneke en niet meer dan dat. De dame had erop gestaan om mij een op een rood kussen geplaatste ketting met een hanger aan te bieden, dat wat zij ‘het oog van Jusdhaval’ noemde. De ketting was van zilver.  De hanger van steen en lijkt op een oog waarbij het oogwit bij de hanger is vervangen door oogzwart. De kleur van de iris van de hanger is wit en de lens van de hanger lijkt op een groenachtig omgekeerd vraagteken.  Het oog van Jusdhaval dus. Ik zou geen Nederlander zijn als ik geen poging had gedaan om achter de waarde van de ketting en hanger te komen. Nog dezelfde dag heb ik een juwelier in Londen opgezocht. Een Indiase juwelier. Een juwelier die mij met grote ogen aanstaarde toen ik voor een taxatie kwam en ik hem de hanger liet zien. Hij was heel even stil, keek mij met grote ogen aan en vertelde dat de hanger in geld geen waarde had en leek woedend toen hij mij meerdere keren indringend vertelde dat ik de hanger niet mag verkopen en mij toen snel en verontwaardigd de deur uitwerkte. Het oog van JusdhavalToen ik de zaak van de juwelier had verlaten zonder voor de taxatie te hoeven te betalen begreep ik dat ik iets bijzonders van de adelijke dame had gehad. Het leek mij veel veiliger de ketting met hanger om mijn nek te draperen, voordat een zakkenroller het uit mijn zak zou plukken en vanaf dat moment is er geen ogenblik geweest dat het zijn inmiddels vaste plek verlaten heeft. Het oog van Jusdhaval hangt ook nu om mijn nek. Marik gaat verder en ik zucht.  Ik luister, terwijl de maan mij verlicht. De dieren liggen stil om heen. Af en toe beweegt er wat, dieren die dromen. Barry die naast het rotsblok ligt waarop ik zit, maakt al liggend met al zijn poten loopbewegingen. Hij blaft zacht, een nachtmerrie of een mooie droom van thuis. Zou hij nu in zijn droom achter een bal aan hollen?  Ik ben moe en concentreer mij op het verhaal van Marik. Marik die mij vertelt hoe Feist en hij via dezelfde grot als ik Iarga binnen gekomen zijn.  Marik was de eerste en hij ontdekte dat een mens van de aarde hier op Iarga bijzondere krachten had. Van een simpel mens van de aarde tot een magier in Iarga. Feist kwam jaren later en ook hij ontdekte al heel snel dat hij hier bijzondere krachten had. In het begin gedroeg hij zich als mens onder mensen gedroeg maar al heel snel gebruikte hij zijn krachten om de beren in het land te muteren tot wat ze nu zijn. Het was Feist die de gemuteerde beren hokaward noemde.  Onder de mensen worden zij beesten genoemd. Met de macht die Feist door manipulatie en de kracht van de hokaward bereikte wilde hij het gezag van Jusdhaval breken. Jusdhaval was de goedmoedige heerser van Iarga. Jusdhaval is op Iarga geboren, de kroonprins zoon van de vorige heerser over Iarga. Hij wist van het bestaan van de grot. En gebruikte deze om uitstapjes naar de Aarde te maken maar vooral om zijn zuster te ontmoeten. Zijn zuster Circe was een tovenares en was degene die als eerste de grot naar de Aarde ontdekte. Circe werd op aarde verliefd, trouwde een Engelsman en verloor een deel van haar magie. Tijdens een bezoek van Jusdhaval beloofde zij hem te zorgen voor bescherming. Zij wist dat mensen die van de aarde kwamen ‘krachten’ kregen op Iarga en koos mensen uit waarvan zij dacht dat ze waardevol zouden kunnen zijn en gaf deze mensen noodzakelijke attributen om hun kracht op Iarga te kunnen gebruiken. Marik was de eerste aardse magier. Feist de tweede. Beiden bezitten een oog van Jusdhaval en ik het derde.  Feist was het die de macht over Iarga wilde. Hij bedolf met zijn beesten Judhaval en Marik onder rotsen. Jusdhaval en Marik leven en vragen mij hen te redden. Marik verdwijnt uit mijn hoofd en dan herinner ik mij iets dat tijdens een ‘high tea’ lachend door een adelijke dame werd gezegd toen ik vroeg waarom zij mij had uitgenodigd; ‘U bent de enige die de wijze steen kan vinden op een plek waar dieren ziek worden’. Het moment waarop ik dacht dat deze dame niet helemaal goed was. Stilte in mijn hoofd, geen gedachten meer. Vermoeidheid die nu toeslaat. De maan is verdwenen, mijn ogen sluiten zich en ik droom over het gesprek met Circe, de zus van Jusdhaval. Ik droom hoe ik worstel met zoetigheden, de etiquette en probeer met de vreemde dame in gesprek te blijven. Ja, ze sprak over stenen. Een blauwe wijze steen, de steen van harmonie die men volgens een overlevering kon horen roepen als je wist hoe te luisteren.

blue-rock-image

De wijze steen

Het ruisen van de wind maakt mij de volgende ochtend wakker. Takken van bomen die zachtjes heen en weer zwiepen. Tussen de bomen een helder blauwe lucht. Ik maak mij klaar terwijl mijn honden onrustig om mij heen drentelen. Zouden zij weten dat ik zij hier achter ga laten? Elk dier wil ik hier op mij laten wachten. Ik moet Circe maar geloven als zij zegt dat de dieren in dit gebied ziek worden. Ik zal de dieren nog hard genoeg hebben. Later als ik de steen in bezit heb en op weg ga naar Jusdhaval. Om mijzelf in het droge gebied voor de zon te beschermen bedek ik mijzelf met natte modder in een beekje in het bos. Zelfs Leo lijkt onrustig als ze vanuit mijn gedachten vertel dat zij hier op mij moeten wachten. Ik ben zelf ook onrustig. Circe zei dat ik de steen zou kunnen vinden maar ik heb geen idee hoe ik dat zou moeten doen. Het droge, dorre, hete gebied is gigantisch groot en het zoeken naar een enkele steen lijkt ondoenlijk. Zelfs al zou de steen mij werkelijk roepen. Mijn honden en de leeuw vragen mij via hun gedachten of zij met mij naar de rand van het gebied mogen lopen en daar op mij wachten en ik sta ze dit toe. Ik eet als ontbijt wat vruchten en drink helder water uit de beek. Dan laat ik de rest van de dieren in het bos achter en gaan wij als viertal op weg naar de rand van het dorre gebied. Eenmaal op weg kijk ik af en toe eens om naar het bos. Ik zie af en toe een enkele vogel die boven het bos vliegt. Het is niet zichtbaar dat er in dit bos zoveel dieren aanwezig zijn die op ons wachten en wachten op een mysterieuze steen, de blauwe steen van harmonie. Circe zei dat ik de steen kon horen en ik luister maar hoor zacht op de achtergrond het onrustige gemurmel van de dieren in mijn hoofd. Naast en achter mij stappen mijn honden en de leeuw rustig voort. Van hen geen gedachten, geen onrust alsof zij vol vertrouwen met mij stappen en denken dat het mij gaat lukken terwijl ik zelf mijn twijfels heb. Hoe kan ik een steen horen, waar moet ik naar luisteren?   Na een tweetal uren gelopen te hebben naderen wij de rand van het gebied. Op een beschutte groene plek met water laat ik de dieren achter. Ik voel hun gedachten in mijn hoofd, voel het vertrouwen dat zij hebben, voel dat zij hier op mij blijven wachten hoe lang het ook gaat duren. Ik aai ze, trots op hun vertrouwen, trots op hun gedrag en ik volg het pad naar het hete vreemde gebied. Elke stap die ik maak lijkt de atmosfeer drukkender te maken.  Alsof de omgeving mij wil laten stoppen, mij wil tegenhouden, mij als een indringer beschouwd. Zonder een richting te weten, loop ik doelloos, verbeten en hijgend uren door terwijl ik luister naar een steen. Ik hoor niets anders dan mijn adem, het geknars van het zand onder mijn voeten. Na uren probeer ik, bijna wanhopig in gedachten contact met de dieren te maken. Even iets horen, voelen van levende wezens zal mij goed doen. Hun vertrouwen, het vertrouwen dat ik nu zelf niet heb wil ik voelen. En dan als ik mijn gedachten laat gaan, voel ik wat anders. Iets koel, iets helder, als een frisse wind, als een zee van ruimte in mijn hoofd. Ik draai mijn hoofd, van links naar rechts en ik voel vanuit welke richting deze helderheid mij bereikt. Zoals Circe zei; ‘als je weet hoe te luisteren’ en ik weet het nu.  Mijn looprichting verander ik, de atmosfeer lijkt koeler, mijn passen worden zeker er is niets meer wat mij tegen kan houden. Ik stap stevig door.  Dorre, grond, dode bomen, geen plant, geen gras, geen sprietje meer dat leven heeft. Daar waar water stroomde alleen nog zand en rotsen, De bodem rood. lava-treeZonder een moment last te hebben van de hitte loop ik uren stevig door over een geblakerde bodem. Het rood is verdwenen en vervangen door as, lava en zwarte stenen. Ik volg de heldere richting van de steen terwijl ik mij afvraag wat de oorzaak is van de hitte. In de verbrande aarde en omgeving zie ik herkenbare beelden,  Hiroshima, Nagasaki. Ook hier lijken atoomwapens te zijn gebruikt of was het een vulkaanuitbarsting? Het is meteen de steen die mij in een gedachte probeert gerust te stellen. Dit was een ontploffing van macht, twee mensen die hun onmetelijke energie en kracht tegen elkaar gebruikten. Twee tovenaars, zwart en wit die in hun strijd ten onder gingen en daarmee een deel van Iarga verschroeide.  De steen maakt mij duidelijk dat dieren hier in dit gebied zullen sterven maar dat het gebied voor mij veilig is. De steen is dat wat van de strijd overbleef. Die steen roept mij, wil gevonden worden en ik loop. As, geblakerde stenen, grind dat het lopen lastig maakt. De avond valt, in het schemer loop ik door. De helderheid, de koelte neemt met elke stap dichter bij de steen verder toe. Rechtstreeks loop ik naar mijn doel, terwijl mijn gedachten dwalen. Ik denk aan thuis, denk aan de dieren, denk aan mijn honden zoveel uren van mij vandaan. Plots schijnt een flauw blauw licht tussen het zwart dat mij omringt.  Ik zie de de steen, ik heb hem gevonden. Ik buk en neem de glinsterende steen in beide handen. Energie die meteen mijn lichaam vult, zonder denken draai ik om terug naar waar ik vandaan kom. Lopend plaats ik de steen in mijn rugzak en wandel rustig in de diep donkere nacht terug naar waar ik de honden en de leeuw achtergelaten heb. De steen zoemt in mijn hoofd en laat mij beelden zien. Ik zie de strijd van zwart en wit. De botsing tussen kwaad en goed. Atomic ExplosionWaren dat Feist en Marik? Die twee machtige mensen die om de macht streden en elkaar daarmee vernietigden. Hoe kan Marik dan nog leven? Dan is het alsof de steen mij van de grond verheft. Als in een lichtblauwe cocon zweef ik rond terwijl de beelden van de geschiedenis van Iarga rond mij heen verschijnen. Vanuit die beelden ga ik begrijpen. Wat de steen laat zien begint lang geleden. De strijd die hier plaats vond, eeuwen voor Jusdhaval, Feist, Marik. Ik zie het ontstaan van de steen. Hoe de samen gebalde kracht, de woede van twee magiërs die hun macht met alle kracht op hun opponent richten. Ik zie de magische krachten met elkaar botsen. Ik zie hoe het goed en fout, het zwart en wit los van de magiers met elkaar de strijd aan gaan. Losgeslagen natuurkrachten die hun enorme macht met elkaar meten, verstrengeld raken, met hun onmetelijke energie elkaar voeden. Verzadigd,verstrengeld, brullend door de tegengestelde energie met een explosie tot een nul-punt komen en alle energie en magie die beiden bezaten achterlaten in een blauwe steen. De steen van goed en fout, de wijze steen van harmonie. Zwevend, reizend in de licht blauwe cocon blijven beelden tot mij komen. Ik zie de geschiedenis van Iarga, het koninkrijk van dit land ontstaan. Ik zie hoe de mensen in dit land leefden, de rust de vrijheid, het goede leven. Ik zie Jusdhaval, zijn ouders, zijn familie. Ik zie hoe Feist,  Jusdhaval en Marik in de val lokte, hen kooide en het koninkrijk knechtte. Ik zie hoe Feist de beren muteerde en hen voor zijn doel gebruikt. Het leed, de pijn, de ellende die Feist in Iarga veroorzaakte leid tot mijn ongekende vastberadenheid. Ik weet niet hoe, maar dit land zal vrij van Feist en zijn beesten zijn. Langzaam, rustig zweef ik, terwijl de beelden blijven stromen terug naar de plek waar ik de dieren achtergelaten heb. Een blije terugkomst, de honden en de leeuw begroeten mij uitbundig. De leeuw wrijft zij grote kop tegen mijn benen. de handen blaffen blij en tussendoor likken zij mijn handen. Als ik voorover buk, om mijn spullen op de grond te leggen likken drie dieren mij in mijn gezicht. Een grote ruwe dikke tong, twee wat kleinere. Ik aai, praat zachtjes tegen hen. Ook al gaan ze niet begrijpen wat ik zeg, ik vertel wat ik gezien en gedaan heb. Ze luisteren stil en rustig naar mijn stem.  Vermoeid zoek ik een plekje met mos en leg mij neer. Drie dieren kruipen tegen mij aan en verwarmen mij. In mijn dromen, krijgen de gebeurtenissen, de dingen die de steen mij liet zien een plaats. Na wat uurtjes rust, de dag begint te schemeren roep ik alle dieren.  Ik weet de weg, ik weet hoe bij Jusdhaval te komen. the-crystal-cave-287

De zee

Na een lange nacht hebben alle dieren zich om ons heen verzameld.  Net als eerder vraag ik aan de vogels om van boven de omgeving in de gaten te houden. Ik vertel hen dat wij naar het zuiden gaan. Naar de kou, de eeuwig bevroren zeeën.  Ik vraag de dieren die niet gewend zijn aan een koud klimaat ons tot waar zij kunnen ons te blijven beschermen. Ik geef elk dier opdracht om zo goed mogelijk te blijven eten. Onze missie is belangrijk en kan pas slagen als elk dier zichzelf goed verzorgd, Wij hebben elkaar nodig nu. Terwijl de temperatuur langzaam daalt dalen wij af naar het zuiden. De weg naar Jusdhaval weet ik nu, is naar het oosten korter. Korter maar gevaarlijk. De route die de steen mij liet zien is niet bekend bij onze tegenstanders en is bijzonder. Met elke stap die mij groep doet verandert het landschap. Grote, groene, natte velden. Kikkers in alle kleuren tussen groen en bruin en groot als mijn honden springen op en over ons heen.  Het is een vreemd gezicht als zij met lange gestrekte poten over mij hoofd heen zweven.  Het geluid dat zij maken is meer dan brullen. Het is een orkaan van geluid dat in mijn lichaam voor trillingen. Tot nu toe accepteren mijn honden elk dier dat zij hier op Iarga tegenkwamen. Met deze kikkers hebben ze meer moeite. Het is niet alleen dat geluid, niet alleen dat springen maar vooral het plotselinge neerkomen vlak naast hen of net met een poot op hun lijf.  Ik zie de irritatie bij Barry groeien.  Ik zie hem loeren. Ik zie zijn staart tot grote hoogte stijgen. Ik zie zijn borst met elke stap steeds prominenter aanwezig zijn. Achter hem zijn nieuwe vriend de Leeuw, die ziet dat Barry boos begint te worden en hem gaat steunen. De kop omhoog, een enorme brul en met een paar rappe passen loopt Leo naast Barry. Mexx ziet het gebeuren en al heeft hij geen benul waarom de agitatie is ontstaan, hij sluit aan en loopt aan de andere kant van Barry.  Drie boze musketiers, klaar om voor elkaar een gevecht met tientallen heen en weer springende groene, bruine kikkers aan te gaan.  Ik maan de ‘musketiers’ tot rust en geef de kikkers de opdracht om ver voor ons uit, uit ons zicht zoveel mogelijk springend maar geluidloos de omgeving te observeren. Al lopend zie ik in de verte boven het groen van het gras wat donkere punten verschijnen. Uren verder, terwijl het begint te regenen lijken deze punten op torens. Tot nu toe is Iarga niet bezaait geweest met gebouwen. Een brug en een veste zorgden voor een gevecht en ik laat de torens die ik nu zie door de vogels observeren.  Wij naderen een kalm stromende rivier en zoeken een plek, een doorwaadbare plek waar wij de rivier kunnen oversteken.  Al snel geven de vogels aan waar wij dat het beste kunnen doen. Het kost ons een uur om die plek te bereiken en voordat wij de rivier oversteken moeten onze kleine dierenvrienden ondergebracht worden bij de grotere dieren om veilig de overkant te kunnen bereiken. Ik zelf draag ratten, hamsters en een wilde kat naar de overkant en loop daarna terug voor de volgende overtocht met konijnen, hazen en wat eekhoorns. Het kruipend en springend ongedierte heeft zich in de vachten van wolliger dieren gevestigd. Dat zijn de dieren die nu wel heel snel de overkant van de rivier bereiken. Met natte voeten en benen verder door het vochtige gras. Mijn doorweekte schoenen hangen aan de veters om mijn nek. Misschien dat zij in dit steeds natter wordende gedeelte van Iarga ooit eens droog kunnen worden. De torens die ik eerder zag zijn inmiddels herkenbaar. Het lijkt op gebouwen die ik Tempeleerder zag en zeker niet op Iarga. Tempels zoals die in onze wereld in oosterse landen voorkomen. Ik besluit naar deze tempels te lopen en te kijken of wij daar overdekt en met droge voeten de nacht kunnen doorbrengen. De drie grootste gebouwen hebben deuren en bieden een goede schuilplek voor ons.  Veel dieren, op de grootste vogels na die uitvliegen om eten voor ons te halen en de dieren die zelf eten gaan zoeken of buiten willen rusten, vinden een rustplek in deze tempels. Na het eten van brood en vruchten die door de grootste vogels bij Hilde zijn opgehaald open ik een potje die door de laatste Kroeskoppelikaan is afgegeven.  De geur van verse koffie…. Hulde, Hilde.. bereikt mijn neus. Ik wandel naar buiten, waar het inmiddels droog is geworden en neem plaats tegen één van de wanden van de tempel. Tevreden neem ik een slok en slaak emoeeen diepe zucht.  Een zucht zo diep en intens dat één van de dieren nieuwsgierig een kijkje bij mij komt nemen.  Even later, als mijn lachbui is verdwenen en de emoe mij nog steeds nieuwsgierig staat te bekijken en ik alle dieren hier buiten zie. Dieren die grazen, drinken, rusten, spelen. Vogels die ontspannen door de lucht buitelen. Dieren die elkaar roepen. Drie wolven die als honden met een halve boom rond sjouwen.  Spechten, die ruzie hebben met veel schelden over een bijzonder lekker stukje brood. Vogels in voor mij kleuren.  Dieren in al hun pracht. Wat is er mooier dan de natuur, wat is er meer bijzonder dan al deze dieren. Na het rusten, na de koffie vertrekken wij. Uren lopen verder, terwijl de temperatuur langzaam tot onder nul daalt zie ik de samenstelling van de dierenpopulatie veranderen.  Woestijn dieren die verdwijnen. Wolven, wilde honden, af en toe een ijsbeer, poolvossen komen de vacatures in het dierenleger opvullen. Ik vraag mij af hoelang de leeuwen en tijgers nog aanwezig zullen zijn. Terwijl ik dat denk, volgt er een antwoord van Leo in mijn hoofd: “Tot het einde”.  Als ik de leeuw aankijk lijkt het of hij lacht met een ademstoot die in deze koude lucht een witte wolk achterlaat. Ergens diep in mijn hoofd begint de blauwe steen te praten. Het is de steen die mij de richting wijst. Een oude, droge rivierbedding gaan wij volgen. Het bed van de rivier gevuld met dieren, die ademen witte wolken uit. In de verte verschijnt iets adembenemend. Een blauwe boog, overdekt het bed. IJs, sterk, strak en glad bevroren overdekt het bed van deze droge rivier. Onder ons is het water verdwenen, boven ons als een blauw, glazen dak nog steeds aanwezig.  Dit is glazen weg die ons naar de zee zal leiden. Boven ons kraakt het, de blauwe tunnel tocht. Een koele luchtstroom die steeds kouder langs onze lichamen stroomt. Vogels inéén gedoken,  op de ruggen en schouders van de andere dieren. De bodem is glad. Het stromende water nu stil, koud, bevroren. Het is de steen die mij vertelde dat deze blauwe weg ons een koude dagmars gaat kosten. Na deze dag, die volgens de steen veilig blijft komen er lastiger zaken. Aan het einde van de blauwe tunnel wacht ons een zee. Die zee moeten wij oversteken om in het gebergte te komen waar Jusdhaval ligt. De zee moeten wij oversteken.. wat daarbij nodig is, is een schip. Het alternatief is maanden lang om de zee heen lopen. Het eerste probleem morgen. Zijn er schepen op Iarga? Terwijl ik met twee vogels op mijn schouders in het blauwe licht loop neem ik de steen in mijn handen en vraag in gedachten of de steen weet of ik daar bij de zee schepen zou kunnen vinden. Ik vraag het de steen, ik vraag het de dieren en allemaal vertellen zij mij niet te weten wat er aan de andere kant van de tunnel ligt. Langzaam en onzeker voor wat gaat komen naderen wij het einde van de tunnel. De koele luchtstroom in de tunnel is vervangen door een meer dan stevige wind, een koude storm waar wij tegenin moeten worstelen. Boven ons kraakt het oorverdovend. Elk dier kijkt gespannen naar boven waar stukken ijs los lijken te gaan komen. Sneller nu, achter ons horen wij de eerste ijsklompen de bodem raken. Steeds harder dan, met geweld verdwijnt de tunnel achter ons. Klompen ijs kletteren op de bodem. Water begint te stromen en komt met geraas op ons af. Een vloed met scherpe ijsblokken achtervolgd ons, komt steeds dichterbij terwijl er voor en boven ons ijsblokken vallen.  Hollend, sprintend vluchten wij de tunnel uit en belanden in het schemer op het strand terwijl een ijsrivier naast ons ontwaakt de zee in stroomt. Nahijgend staan wij in de schemer op een kiezelstrand. Ik zie grotere dieren de kleine trage dieren vanaf hun rug en schouders  op het strand plaatsen. Wonderlijk genoeg lijkt elk dier het overleefd te hebben. Ik onderzoek de omgeving. Links van ons aam het einde van het strand lijkt een bos te zijn. Verder weg  in de verte lijken, vreemd en verontrustend lichten te schijnen.  De beslissing is snel genomen. Wij gaan de nacht verscholen in het bos doorbrengen.

1457484_660968520615286_1923797572_n

Het dorp

Drie dieren tegen mij aan. Barry verwarmt mijn buik, Mexx ligt tegen mijn rug. Mijn hoofd op de zachte buik van Leo. Warm en rustig wakker worden en bedenken wat ons vandaag te doen staat. Om mij heen zie ik grote vogels landen en wegvliegen. Voedseldroppings op een bijzonder niveau. Hilde heeft het er druk mee. Pelikanen die het meeste werk verzetten en ons met hun keelzak efficiënt van voedsel voorzien.   De lichten die ik zag intrigeren mij. Het lijkt alsof er verderop mensen zijn. De vraag is dan zijn dit mensen die onder invloed van Feist staan of zijn er toch vrije mensen op Iarga. Vandaag dus een dag om te achterhalen wie dit zijn, vriend of vijand vandaag moeten wij dit weten. Na het ontbijt vertrekt mijn vliegende brigade. Honderden vogels, groot en klein die zich in de richting van de waargenomen lichten verplaatsen en waarvoor met hun scherpe blik geen detail van de omgeving verborgen blijft. De vogels vliegen in een zigzagpatroon, terwijl hun beelden in mijn hoofd verschijnen. Niets dan, zand, zee, bos, graslanden en dieren om ons heen.  Totdat een adelaar zijn blik niet naar beneden maar heel kort in de verte richt. Wat ik voor mij zag, leek op een dorpje aan een zee. Huizen zoals ik ze ken, een haven aan het water.  Ik laat de adelaar nogmaals kijken en zie images (4)nogmaals iets wat op een vissersdorpje lijkt. Ik stuur meerdere hoogvliegende vogels de richting van het dorpje op en laat de andere vogels de route naar het dorpje observeren.  Gespannen laat ik alle beelden in mijn hoofd toe. Tot het punt komt dat het niet meer lukt. Ik raak vermoeid en gespannen. Teveel beelden die ik tegelijk wil bekijken, teveel verbruikte energie om mij goed te kunnen concentreren. Ik roep alle vogels op één na terug. Een vogel die al zwevend boven het vissersdorpje cirkelt laat mij beelden zien. Een dorpje met kleine huisjes. Een huisje met een rokende schoorsteen. Een haven vol met scheepswrakken. Net buiten de haven, nabij de kust ligt één schip. Een sleepboot, van buiten en van bovenaf gezien in goede staat.  Ook al blijven er vragen over. Ons nieuwe doel is nu bekend, wij hebben een schip nodig. De rest van de dag vliegen er hoog boven het dorp grote vogels die het huisje met de rokende schoorsteen in de gaten houden. Een groepje snelle vogels is op weg naar het huisje om beelden van dichterbij te gaan leveren en ik wacht, terwijl ik Hilde’s heerlijke koffie drink rustig af. Dan enkele uren later is het een spreeuw die door een raam van het huisje naar binnen kijkt. Door het raam zie ik een man die zich klaarmaakt om naar buiten te gaan. Vanuit de hoogte zie ik hem even later buiten staan. Een musje dat op enkele meters voor hem op de grond zit laat mij zijn gezicht zien. Een oude man, krom en gebogen, donkere kleding en een schipperspet. Hoog tijd om op te stappen. Vanuit een grote hoogte zie ik de richting die wij moeten gaan. Op pad, mijn trouwste metgezellen Barry en Mex aan mijn rechterzij. Leo aan mijn linkerzij. Alle andere dieren om ons heen. Een dierenleger met potentie, een unieke, imposante variatie van kracht en vaardigheden. Geen paden hier, woeste stukken heide met daar tussen metershoge struiken waar wij ons moeizaam doorheen moeten worstelen. Ik begin te twijfelen of ik deze route naar het dorpje wel goed gekozen heb. Had ik niet beter op het kiezelstrand kunnen blijven ook als was de route dan veel langer en was de kans op ontdekking dan groter geweest? Geen tijd om daarover verder na te denken. Er volgt een heide die ons langzaam omhoog voert. Ik weet van wat ik gezien heb dat wij straks een burcht gaan zien. dan een ondiep riviertje oversteken en dan achter de burcht ligt het vissersdorp. Ik besluit nu geen pauzes in te lassen. Voor het te donker gaat worden wil ik vlakbij het dorpje zijn en pas daar tijd te nemen en te rusten. Moeizaam blijft het, voeten, poten die blijven steken in de dichtbegroeide heide. Grotere dieren die ik vooruit stuur zodat zij voor ons een pad kunnen maken. Maar de stugge hei weerstaat het gewicht van de grote dieren en veert meteen weer op.  Langer, later wordt het, later dan ik dacht.  Schemer, donker en dan zo bijzonder op het hoogste punt dat wij bereiken een uitzicht op de burcht, verlicht door een groen, blauwe hemel en miljoenen sterren. Dieren die stoppen, stilstaan en verwondert het schijnsel aanschouwen. Dieren die gaan zitten en lijken te genieten van wat zij zien. Nu dan toch een pauze. Rond mij alle dieren die een half uurtje rusten. De gekleurde hemel, die met afwisselende kleuren het dierenleger laat schitteren in deze nacht. Na een half uurtje dalen wij langzaam af naar de rivier en vinden als snel een doorwaadbare plaats. Voorzichtig steken wij over, water dat rustig stroomt en tot kniehoogte reikt. Aan de overkant is een pad dat ons weer omhoog leid. Langzaam, volgen wij het pad naar boven naar een weide waar wij rusten. Dit is een nacht waarin ik niet slaap. Teveel gedachten die door mijn hoofd dwalen. Ik had de wens een schip te vinden. Een schip hebben wij gevonden. Ik had de wens een schipper te vinden en een schipper hebben wij gezien.  Maar dan, wil deze schipper meewerken. Is hij ons goed gezind? Heeft hij de moed om ons te vervoeren? Durft hij de dieren op zijn schip toe te laten? En waar zijn onze vijanden?  Overal, maar niet hier. Waar zijn ze dan wel? Wachten zij ons op daar, later, als de schipper ons naar de overkant brengt? Als de schipper varen wil. Vaart hij ons naar onze ondergang? Veel vraagtekens die als zich een eindeloze ketting door mijn hoofd herhalen. Voor mij weinig rust deze nacht. Vroeg in de ochtend, het schemert en de meeste dieren slapen loop ik alleen richting dorp. Ik heb mijn honden en de leeuw wakker gemaakt en gevraagd te blijven. Ik wil alleen zonder de dieren om mij heen de oude man spreken. Hij gaat waarschijnlijk al schrikken als er opeens een mens voor hem staat. Hoe moet het dan zijn als het halve Iargaanse dierenrijk zich voor zijn huisje verzameld?

Even later sta ik voor het huisje met de rokende schoorsteen. Langzaam loop ik naar een zware eiken deur en wil kloppen. Voordat mijn hand het eikenhout raakt gaat de deur open en zegt een stem: “welkom, kom binnen”. Ik mij zorgen maken over zijn reactie, terwijl mijn hart nu in mijn keel klopt. Niet van spanning, maar van verrassing. Het is alsof hij mij verwacht. Nog gekker wordt het als deze oude, kromme, stramme man mij een stoel aanbiedt, koffie voor mij inschenkt, het aantal schepjes suiker weet en dan ook nog zegt: “Het heeft even geduurd voordat je mij gevonden heb Jusd”, en ja dat klopt. Ik wist alleen niet dat ik hem moest zoeken maar hij blijkbaar wel. Ik geef hem een hand en hij noemt zijn naam: “John”, en vraagt waar mijn dieren zijn. Weer ben ik verbaast, hij weet veel die John. Hij weet wie hij moest verwachten. Mijn vraag is dan ook hoe hij dit allemaal weet en hij begint te vertellen. Hoe hij in een nacht droomde dat er om hulp gevraagd werd. Een vreemde man vroeg om hulp om met zijn boot mens en dieren over een zee heen te brengen om de rust in een land terug te brengen. Hij ervaarde zijn droom bewust, zei ook bewust “ja” op de vraag maar had niet verwacht dat hij de volgende morgen in een vreemd land, in onbekende zee wakker zou worden. Na zijn ‘ja’ kreeg hij te horen dat hij op land moest wachten tot ik met de dieren aan zou komen en hij mij en een gedeelte van de dieren moest gaan vervoeren. Zelfs de koers die hij moet gaan varen is hem opgegeven. Hij laat mij een briefje zien waarop een zigzag-koers staat aangegeven, dat zegt hij althans. Ik begrijp niets van de getallen op het kladje. Ik besluit de dieren te roepen en vraag John wanneer hij wilt vertrekken. “Morgenochtend”, zegt hij. “Vanmiddag laat ik je mijn schip zien. Dan kan jij bepalen welke dieren je mee wilt nemen. Morgenochtend allemaal aan boord en dan de trossen los en varen. Als ik jullie weggebracht heb kan ik weer terug, vertelde hij in die droom. Maar goed ook, dit is wel een heel vreemde plek”, en ik kan dat alleen maar bevestigen.

Als eerste van de dieren verschijnen er vogels rond het huisje en even later staat mij trouwste drietal voor het huis. John laat ze binnen en bekijkt de dieren nieuwsgierig. “Twee honden en een Leeuw. Dat valt mee”, zegt hij. Ik lach en zeg hem dat er nog wat gaat volgen. Even later staat hij vol verbazing voor het raam. Hij stamelt, “Zoveel kunnen er niet aan boord hoor.”

Vroeg in de middag lopen wij naar de haven. Net buiten de haven ligt de oude sleepboot. Om te voorkomen dat er Soon it will go under.vreemden aan boord kwamen heeft hij het schip buiten de haven geankerd en een roeiboot verstopt. Hij vraagt ons te wachten en roeit naar het schip. Ik hoor het geratel van de ankerketting, het gehoest van de diesel. En zie hem dan langzaam de haven in varen. Het schip is oud en lijkt geen naam te hebben. En als ik, de honden en de leeuw aan boord klimmen vraag ik mij af waarom men dit schip en deze schipper in een droom uitgezocht hebben. Was er niet iets beters, groter, veiliger dan dit oude wrak? Ik zeg maar niets als John mij vol trots op zijn schip rondleidt. Zijn schip dat blijkbaar de koosnaam ‘Truusje’ heeft. Ik neem de ruimte op het schip goed in mij op. Ik moet straks gaan bepalen welke dieren er mee mogen varen. Ik moet rekening houden met de ruimte op het schip maar ook bepalen welk dier ik straks nodig heb. Vooral dat laatste is lastig. Ik weet niet wat ons daar te wachten staat en heb ook geen idee welke dieren ons daar op die nieuwe plek kunnen helpen. “O, wacht”, roept John dan. “Ik heb moet je nog iets vertellen. In mijn droom kreeg ik iets te horen wat ik aan jou moet vertellen. Het is een raadsel of zoiets en je moet het weten.” Dan zegt John het volgende: ‘In het zwaarste voorwerp in het huis van de schipper. Onder de bovenste verpakt in lood en doek ligt dat wat je lezen moet. Om het te openen andersom de naam van het bekeken gezicht. Mooi, daar sta ik dan. Terug naar het huis van de schipper en zoeken.

Even later sta ik voor het huis. Voorzichtig, alles bekijkend ga ik kamer voor kamer af. Niet veel bijzonders, het zwaarste lijkt mij het fornuis in de keuken. Tot ik een grote, bijna lege kamer kom. Aan één wand is een zware eiken boekenkast gebouwd. Dit moet wel het zwaarste zijn. ‘Onder de bovenste’ in de tekst. Grote dikke, lege planken.. Zou ik onder de bovenste plank moeten zijn? Ik stap op de planken en voel met mijn rechterhand onder de bovenste plank. Halverwege voel ik iets kouds, iets van metaal. Ik voel een hangslot maar kan het niet zien. Het is te donker en ik kan er niet goed bij. Terug nar de andere kamers. Zoeken naar een lamp en een trap of iets om goed op te kunnen staan. Ik vind een trap maar geen lamp en loop terug naar het schip. Die schipper zal vast wel olielamp hebben. Ongeduldig hol ik even later met een olielamp terug naar het huisje. Lamp aan, trap voor de kast en ik kan het slot bekijken. Op het slot staan 27, voor mij onleesbare  tekens. Het schilderij wat ik zag heet Jusdhaval. Andersom zal ik dan L-A-V-A-H-D-S-U-J moeten invoeren. Ik bekijk de tekens nog eens goed. Er zijn 27 tekens. Eén van de tekens is een klein vierkantje. Als dat teken een punt zou zijn dan heb ik 26 tekens over. Net als ons alfabet. Ik besluit dat te proberen. Ik tel de letters af. De eerste letter die ik in moet voeren is de L. De L is de 12e letter. Vanaf het vierkantje draai ik het 12e teken voor de pijl die op het slot staat. Daarna de A, het 1e teken. De V, het 22e teken. Gevolgd door het 1e teken. De volgende is de H, tekn 8. De D, teken 4 draait voor de pijl. Vervolgens de S, teken 19. De U, teken 21. De J, teken 10 en beëindig de serie met de vierkante punt. Ik hoor klik en een in blauw satijn verpakt groot en dik boek valt op de plank.

Met twee handen pak ik het pakket. Verwijder de satijnen doek en zie het in leer gebonden boek. Ik neem het boek en zoek een lage stoel. Het boek is geschreven in een taal die ik niet kan lezen, dezelfde tekens als op het slot en rijkelijk Book0voorzien van prachtige kleurige tekeningen. Het boek lijkt ingedeeld in hoofdstukken die relateren aan diverse omgevingen Ik zie tekeningen van weilanden, bossen, diverse soorten gebergten, rivieren en  zeeën. Dan begint de blauwe steen in mijn hoofd te zingen en verteld mij dat ik tijdens de zeereis dit boek moet gaan leren. De steen gaat mij daarbij helpen. En als ik vraag waarom, zingt de steen zacht in mijn hoofd: “Omdat jij met de wijsheid en de kracht van dit boek Feist kan verslaan”.  Twijfel in mijn hoofd, een boek leren in een vreemde taal, tijdens een zeereis en de inhoud gebruiken tegen een tovenaar?  “Hoe lang duurt de zeereis, een paar jaar of zo?”, roep ik vol twijfel. Het is alsof de steen zachtjes lacht. “Vertrouwen Jusd, vertrouwen”, klinkt het in mijn hoofd. Vertrouwen, vertrouwen.. en juist dat heb ik nu even niet. De steen wil nog verder verklaren, vertellen maar ik blokkeer hem.  Ik sla het boek dicht, verpakt het boek in de satijnen doek en wandel rustig naar het schip. Staande bij de reling moet ik de neiging om het boek in het water te gooien flink onderdrukken. Ik ben moe, moe van de ongevraagde verantwoording die men mij hier geeft. Moe van het aanvoeren van een dierenleger. Moe van alle vreemde ervaringen. Ik zoek een kajuit, vind een bed, kruipt er in en val in slaap.

191213_Papel-de-Parede-Por-do-Sol-no-Mar--191213_1600x1200

Op zee

Ergens, laat in de middag ben ik, fris en opgewekt wakker. In de kajuit liggen mijn honden en de leeuw. Slapen is om te verwerken en ik ben weer instaat om na te denken. Wat ik hier ook doe, ik kan niet anders dan meedoen in de hoop weer thuis te komen. Het is niet dat ik dieren dwing mijn zin te doen. Het zijn de dieren zelf die mij willen volgen. Zij doen uit eigen beweging wat ik vraag. Ik ga door in dit vreemde avontuur. In gedachten spreek ik met de dieren. Ik vraag de vogels van de zeeën en de oceanen te blijven. Ik vraag naast mijn honden en de leeuw aan twee witte wolven of zij aan boord willen blijven. De rest van de dieren laat ik hier achter, het schip is te klein. Daar, waar wij naartoe gaan hoop ik dat er dieren zijn die ons en Jusdhaval willen helpen. Even later sta ik aan wal en neem afscheid van mijn grote en kleine dappere vrienden.

Wij vertrekken na het afscheid. De laag staande zon geeft de hemel en de zee een gouden gloed. Iarga is prachtig, net zoals de Aarde kan zijn. Anders dan op de Aarde vechten dieren hier samen met mensen voor hun vrijheid. Vechten zij voor hun recht op leven. Terwijl op de Aarde de mensen de dieren knechten, vernietigen, hun habitat wegnemen helpen de dieren van Iarga een mens van de Aarde om hun vrijheid op Iarga te behouden. Hoe bizar…

In de avond op een klapstoel bij de reling. Vier hondachtigen en een grote kat aan mijn voeten. Een olielamp verlicht het boek. Een zacht, blauw, zingende stem in mijn hoofd. Ik leer lezen op z’n Iargaans, lezen uit een toverboek met teveel spreuken en bezweringen. Spreuken en bezweringen die ik moet kennen, omdat wij binnen enkele dage de grens van de macht van Feist gaan overschrijden. Op een tafeltje naast de stoel staat hete koffie. Ik neem nog maar een slok… ik word een toverkol.

Als de schipper kookt mag ik aan roer. John wenst geen vreemden in zijn kombuis. Vooraf wijst John mij op het kompas aan welke koers ik moet varen en ik sta dan met het grote roer in mijn handen de genieten van een kalme zee. Naast ‘Truusje’ zwemmen zwermen kleine vissen, haaien en dolfijnen met ons mee. Zelfs hier op zee trekken mens en dieren met elkaar op. Uit de kombuis komen heerlijke geuren. Koken kan hij, onze schipper. Na het eten pak ik het boek en ga samen met de steen weer aan de slag. Terwijl mijn vrienden met gevulde buiken weer aan mijn voeten liggen. Wat de steen mij als eerste leerde was het herkennen van de Iargaanse letters, daarna het vormen en uitspreken van de Iargaanse woorden en zinnen. Nu gaan wij beginnen met één hoofdstuk genaamd ‘Zee’. Volgens de steen staan in dit hoofdstuk alle aanval- en verdedigingstactieken die een tovenaar op zee kan gebruiken. In gedachten zie ik een afschuwelijk zeemonster die ons wil vernietigen..  En ik maar bladeren in dat boek. Hap… einde verhaal.

Gek genoeg lijkt het te werken. Alsof de steen een invloed heeft op mijn brein, het openstelt en dat wat ik moet weten in download (12)de juiste vakjes plaatst. Had ik die steen maar eerder in bezit gehad! In een tel leer ik nu meer dan anders in een dag. Na een uurtje nemen de steen en ik een pauze. Ik koffie, de steen lijkt te schitteren door de activiteit. Het voelt alsof zijn kracht sterker wordt. Als ik de steen vraag hoe dat komt zoemt het in mijn hoofd en hij vertelt dat het gebied wat wij nu verlaten meer de Aarde was dan Iarga. Nu gaan wij weer richting de macht van Iarga en daarbij neemt zijn kracht toe. De steen lijkt te grinniken als het in mijn hoofd zoemt: “Net als jouw kracht.”  Sceptisch lijkt mij nu het goede woord, ik ben van de aarde maar mijn kracht zal groeien als ik dichter bij de macht van Iarga komt?  De steen geeft geen antwoord meer.  Na de koffie gaan we verder, urenlang leer ik spreuken tot tegen de avond de lucht betrekt. Er lijkt een storm te ontstaan. Dat is het moment om te oefenen. De steen sommeert mij te gaan staan. Groter, langer lijk ik dan te zijn. Mijn armen gestrekt naar boven, met beide handen duw ik de steen zover mogelijk omhoog. De steen gloeit en ik gloei mee. Een gevoel van macht en kracht stroomt door mijn lichaam. Dan geeft de steen mij de opdracht om het slechte weer te verdrijven. Moeiteloos herinner ik mij de spreuk en ik spreek hem uit. Alsof mijn stem duizenden keren is versterkt galmt mijn stem over het water. Fel blauw licht met een enorme intensiteit lijkt vanuit de steen en mij te omgeving te verlichten. De storm is verdreven maar wat ben ik moe. Alsof de spreuk en de steen alle energie uit mijn lichaam hebben verbruikt. Ik laat mij langzaam in een stoel zakken. Dan zoemt de steen, “Je deed het goed maar dit was dan ook makkelijk. Geen weerstand, geen tegenspel, dit kost nog niet zoveel energie.”  Een leuke steen, die blauwe.

Na wat rust gaan wij verder met het boek. De steen heeft haast en ik studeer, tot diep in de nacht zoals ik nog niet eerder gestudeerd heb. En dan in die eerste nacht, in een korte pauze krijg ik een onrustig gevoel en meteen beginnen sea_storm_by_nyonilaskeleit-d37um8wde honden te blaffen. De wolven huilen mee, de Leeuw gromt, vogels krijsen. Er is iets aan de hand maar ik weet nog niet wat. Ik grijp de steen met beide handen en luister en kijk in het donker rond. De steen geeft mij kracht, verlicht de nacht,  verbetert mijn gevoel, gehoor en zicht, als een menselijke scanner draai ik rustig rond, scan de omgeving en ik zie in het duister een oog dat ons bespied. Feist is aanwezig. Ik ga rechter staan, beide armen omhoog gericht, de steen in beide handen, een blauw licht dat mij omringd en spreek nogmaals galmend een spreuk.  Het oog van Feist lijkt mij een knipoog te geven en na een angstwekkende bulderende lach trekt het oog van Feist zich tergend langzaam terug. Uitgeput stort ik tussen de jankende dieren neer. De blauwe steen beland op mijn hoofd. Een toverboek, aanval, verdedigingstactieken. Wat ik nodig heb is een helm. Versuft met hoofdpijn zit ik later in de kajuit. Feist heeft ons gevonden en ik durf nu niet te gaan slapen. Wat als hij nu de één of andere spreuk gebruikt en ons hier in dat koude water laat ondergaan?

Nu ben ik het die er bij de Steen op aandring het boek te bestuderen. We zijn nog lang niet klaar met dat te dikke boek en ik moet de anderen en mijzelf zo goed mogelijk kunnen beschermen. Ik neem plaats aan een tafel achter onze schipper die met vermoeide ogen in de verte staart. Met de dieren spreek ik af dat zij per tweetal buiten aan dek de omgeving in de gaten houden en ons waarschuwen bij gevaar of iets bijzonders. Binnen een uur is het raak. Geblaf van buiten, dierenstemmen in mijn hoofd.  Twee wolven en een Leeuw die naar buiten schieten. Ik stop het boek snel in de loden kist en hol met de steen in mijn handen naar buiten.
Aan dek is het aardedonker, bliksemschichten in de verte. Het schip ligt stil, geen deining. Honden, wolven, leeuw, blaffen, brullen. Lange met zuignappen voorziene armen omvatten het schip. De schipper staat met een bijl op de armen in te hakken. De dieren bijten, scheuren aan de armen. De tientallen gigantische inktvissen geven geen krimp, terwijl golven slijm en bloed over het dek spoelen zie ik op een rechte koers richting ons stil liggende en langzaam in de diepte getrokken schip een enorme storm naderen. Bovenal het geluid klinkt de bulderende lach van Feist. Ik til de steen boven mijn hoofd en roep de schipper. Ik laat mij door hem aan een van de masten vastbinden en roep de dieren. Zij moeten mij helpen te voorkomen dat tentakels mij de steen ontnemen en wij hopeloos zijn verloren.

Rechtop, armen gestrekt de steen hoog. Een blauwe gloed die de steen en mij omhullen. De kennis uit het boek die door mijn hoofd dwaalt. En dan het plotselinge weten, het boek is niet belangrijk. In mijn gedachten en in mijn eigen taal vraag ik de zeedieren ons te bevrijden van de inktvissen en vorm in mijn hoofd dezelfde storm als Feist tegen ons inzet. De steen vonkt, grote blauwe vonken vormen een stroom, golven door de lucht en verdwijnen in het water. De zee, de lucht kleurt blauw. De atmosfeer is zwaar geladen, zwanger van energie. Ik hoor gescheur, geknaag van roofvissen die de ons omringende armen wegvreten. Ik zie de schipper de bebloede restanten van de armen van het dek sleuren. In de verte een bizar spektakel. Twee tegengesteld draaiende stormen in een vel verlichte dodelijke dans. Blauwe, rode stromen energie, spetterende vonken en geraas. Twee gigantische stormen, kolkende duale energie. Om eens heen een bloedrode bruisende  zee. Resten van vissen, bonken octopussen, langzaam verdwijnend, een bloederig feestmaal voor zeebewoners.

Kalmer nu, de lucht is helder, de zee weer rustig. Traag ploegt ons schip weer over de zee. Waakzaam sta ik nog vast aan de mast, vermoeid na het gevecht met de tentakels liggen de dieren slapend om mij heen. Ik vraag de schipper mij van de mast los te maken maar blijf aan dek. Op een bank op de achterplecht vraag ik vogels voor mij de omgeving te bewaken. Ze reageren instemmend en de beelden die zij zien bereiken mijn brein zodra zij opstijgen. Ik weet dat hun geschreeuw mij bij gevaar wakker zal maken en langzaam dommel ik in.

Wakker, de dieren liggend naast mij. Een vreemd stilte die ons omringd. Een onnatuurlijk kalme zee. Een blauwe hemel, een felle zon waarvan de warmte ons niet bereikt. Het is kil en onnatuurlijk. In de stuurhut onze trouwe schipper die onrustig lijkt. Het stuurrad niet in zijn handen, het schip lijkt stil te liggen maar ik hoor onder ons de dieselmotor vol kracht grommen. Ik probeer contact te krijgen met de vogels die ons omringden. Er is contact maar vreemd, verward alsof ik flarden van gedachten en beelden binnen krijg. Ik concentreer mij met al mijn kracht op de gedachten en beelden van één zeearend. Mistige beelden, zachte bijna onbegrijpelijke gedachten die mij bereiken. Maar ik begrijp dat het lijkt alsof er door een enorme bol tientallen zeemijlen van Iarga zijn afgesloten. Dieren die ons vanuit de lucht en door het water niet meer kunnen bereiken. Een ondoordringbare bol van energie die ons omringd en al wat in de bol aanwezig is tot stilstand brengt. In de stuurhut vertelt de schipper dat het schip, ondanks het op volle toeren draaien van de motor niet meer in beweging is te krijgen. Wij liggen stil, geblokkeerd, afgesloten van onze dierlijke bondgenoten en ons gemeenschappelijk doel.

Peinzend sta ik in de stuurhut. Er is niets dat ik vanuit de Iargaanse toverboeken wijsheid kan gebruiken om deze tegenslag, deze vreemde blokkade tegen te gaan. Toch zal ik iets moeten, iets moeten vinden om te voorkomen dat onze tocht hier in de kilte, met een kalme blauwe zee, onder een stralende zon tot ons einde zal leiden. Ik pak de blauwe steen in beide handen en ga langzaam zitten. Ik breng mijn aandacht naar de steen en bekijk, onderzoek de steen vol concentratie. Het is de steen die mij de kracht gaf om tegen Feist in te gaan. Het was een ding die mijn kracht, mijn macht vermenigvuldigde. Of is het anders, ben ik het ding, bespeelt, gebruikt door een steen met macht en kracht?

Ik staar naar de blauwe steen, een blauwe gloed die over de steen heen vloeit. Blauw, niet egaal van kleur, wisselend in intensiteit. Lichte, donker blauwe vloeibare kleuren die over de oppervlakte van de steen heen stromen. Het is alsof het blauw zich alleen aan de oppervlakte van de steen bevind en onder het blauw wat anders aanwezig is. Hoe wel ik meerdere keren met de steen in beide handen stond heb ik niet eerder de vloeibaarheid van de buitenkant van de steen opgemerkt. Ik concentreer mij op één punt, op dat moment een donker blauwe plek op de buitenkant van de steen. Het donkerblauw stroomt tergend langzaam weg en er verschijnt een steeds lichter wordende plek. Het lichtblauwe verschijnt en lijkt steeds doorzichtiger en helder te worden. Ik vergeet de wereld om mij heen, laat geen indruk, geen geluid, geen gedachte toe en kijkt zwijgend en aandachtig hoe de steen als helder glas zijn bijzondere binnenkant prijs geeft. Er zijn geen woorden die beschrijven wat ik zie. Er zijn geen woorden die beschrijven hoe een steen, die ergens in ons onmetelijk universum gevormd is zijn herinneringen in een enkele tel kan laten zien. Er zijn geen woorden die beschrijven tot hoever de macht van deze steen strekt.

Het is zoals ik eerder dacht, ik ben niets meer dan ik eerder was. Ik ben de dienaar van een bijzondere steen met kracht en macht. En juist dat geeft mij vertrouwen. Ik ben niet degene die alle beslissingen moet nemen. Het is de energieke steen die stuurt. Ook nu ik niet weet wat te doen zal er een oplossing volgen.  Dat is waar ik nu op wacht.

in a bubble

In een bubbel

Rustig en gestaag gaat onze reis voort. Inmiddels twee dagen en hele rustige nachten waarin wij kalm door kunnen varen. Een kalme zee, een heerlijke temperatuur. Bijna ik mij een cruise voor kan stellen. Vogels en zeedieren die ons volgen, bewaken en voor voedsel zorgen. Volgens de schipper nog twee dagen voordat wij onze bestemming, ergens aan de overkant gaan bereiken. Ondanks de ontspannen reis van deze twee dagen blijft Feist in mijn gedachten. Hij is nog niet verslagen en ergens daar in de verte moet hij bezig zijn met nieuwe plannen.

Op het dek, in de zon, net gegeten, volle maag, het monotone gebrom van de dieselmotor, de zoete warmte, de kalme zee maakt slaperig.  Met de steen op mijn schoot begin ik in slaap te vallen. In de eerste tellen van mijn slaap is er een verandering. De diesel die meer toeren maakt, geluid dat anders, holler klinkt. Meteen ben ik wakker en onderweg naar de stuurhut waar een grommende schipper vertwijfeld aan het roer trekt om onze koers te corrigeren. Het uitzicht is anders, ik zie  hetzelfde als eerder maar vreemd vervormd. Alsof ik door een verkeerd geslepen glas de wereld bekijk. De schipper vloekt en roept dat het hem niet lukt om de koers te houden.

Ik verlaat de stuurhut en loop naar voren.  De steen in mij handen gloeit, een teken dat Feist hier iets mee te maken heeft.  Met de steen in miin handen zoek ik iets van metaal dat ik kan gebruiken om mijn gedachte te kunnen bevestigen. Ik vind een oude metalen hamerkop en neemt deze mee naar de plecht.  Ik gooi de steen zo hard mogelijk in de richting van dat wat ons lijkt te belemmeren. Het klinkt ‘tsjingg’, als of ik met een lepel tegen een kristallen vaas tik terwijl de hamerkop even hard als ik hem gooide langs mijn hoofd heen flitst. Wij zitten in een glazen bubbel.

Nooit gedacht dat een steen boos zou kunnen zijn. Maar zo voelt de blauwe steen die ik nu in mijn handen neem. Met mijn rug tegen de reling zit ik op het dek terwijl de steen en ik onze gedachten lijken te delen. Ik ben het zat om alleen maar op de acties van Feist te moeten reageren. Ik wil aktie, niet meer wachten. Ik wil aanvallen. Feist bezig houden zodat hij in de verdediging is en de steen gaat in gedachten met mij mee. In een overweldigende stroom van beelden lijkt de steen te zoeken naar mogelijkheden en stopt dan bij het beeld van een Hokaward en ik begrijp hem meteen.

In gedachten met een magische band verbonden zoeken, luisteren, voelen, stil en voorzichtig de steen en ik naar Feist.  Afstandelijke, wazige beelden bereiken in onze speurtocht mijn brein. Tussen grijze, bruine, zwarte vlekken, een brei in de reflectie van een wereld achter een glazen bubbel zoeken, gaat dat lukken? Langzaam komt er helderheid. Alsof wij samen focussen, verdwijnen vlekken, verdwijnt de brei, worden beelden scherper. En wij zien zonder zelf bemerkt te worden onze gewetenloze tegenstander Feist. Zacht nu, onbespied verder de omgeving van Feist aftasten. Hokaward’s in zijn omgeving gevonden. Langzaam nemen wij bezit van

414312het brein van het brein van de eerste en stap voor stap die van de andere Hokaward’s in zijn omgeving. Zo’n dertig Hokaward’s brengen wij in slaap en bewerken ondertussen hun wrede brein met nieuwe opdrachten.  Vervolgens zoeken wij meer van die beesten verder weg in de omgeving van Feist brengen hen in slaap en bewerken hen. Dat is het plan, nu en de komende nacht worden honderden van deze beesten tegen Feist opgezet.  Morgenochtend maken wij hen wakker en zal Feist voor zijn leven moeten vechten en al zijn kracht nodig hebben om te kunnen overleven, als hem dat al lukt. Als de energie van Feist zich op de beesten richt en niet meer gebuikt wordt om de dikke glazen bel om ons heen te onderhouden moet het mogelijk zijn de ons dan omringende zeepbel met een simpele speld door te prikken.

Die nacht gaan wij door. Als de Hokaward’s niet slapen brengen wij hen in slaap. Alle slapende Hokaward’s worden bewerkt. Als zij wakker worden denken zij dat Feist hun grootste vijand is en in hun simpele wreedheid kunnen zij slechts handelen en dat doen zij dan ook meteen als hun biologische klok hen wakker roept.

Met de dieren en de steen ga ik naar de stuurhut. De eerder nog razende schipper is nu aan wat rust toe. Ik vertel hem dat hij kan gaan slapen en samen met de dieren sta ik deze in deze stille nacht op wacht tot de zon opkomt en de Hokawardse razernij over Feist heen spoelt. Een stille nacht, zacht gekabbel van het vlakke water en mijn gedachten dwalen weg. Waarom is Jusdhaval zo belangrijk, wie is hij? De steen haakt in, stuurt mijn gedachten, laat mij het verleden zien.

Vroeg, te vroeg in de ochtend. Met een steen in mijn handen wakker geworden. Dieren om mij heen. Het is nog donker, de honden en de leeuw liggen warm en rustig om mij heen. Ik hef de steen en geconcentreerd richt ik mijn gedachten op de Hokaword’s. Ze slapen, le wrede gedachten in hun hoofd. Andere gedachten dan eerder, nu gericht op Feist en niet meer op de bewoners van Iarga. Rustig en aandachtig wacht ik, tot zij ontwaken en de razernij zich op Feist gaat richten. Voorzichtig richt ik mijn aandacht op Feist. Ik zie hem van een afstand en durf mijn aandacht niet direct op hem te richten. Hij lijkt in slaap maar ik weet dat hij al zijn energie gericht heeft op de bubbel en dus niet diep slaap zal kunnen zijn. Ik merk dat de eerste Hokaword wakker is geworden. Zich even uitrekt en voorzichtig de anderen wakker maakt.

Haastig maak ik de schipper en de dieren wakker. Klaar, klaar om straks door de bubbel heen te barsten. Dan weer zitten, in gedachten samen met de steen kijken, luisteren voelen, weten wat er gebeurt. En ik zie en hoor de woede van de Hokaword’s . Ik zie Feist  in zichzelf gekeerd te laat reageren. Ik zie hoe de wonden die zij hem toebrengen en zie en hoor de glazen bubbel barsten. Wij duiken de stuurhut in terwijl scherven toverglas om ons heen naar beneden storten. “Volle kracht”, roept John opgetogen en voor ons gevoel vliegen wij nu wild en vrij over de zee.

Het verhaal ‘Jusdhaval’ ontstaat langzaam maar zeker in dit blog. Als ik schrijf kan het verhaal onder uw ogen veranderen en blijven groeien tot het onvermijdelijke einde. De stand tot nu: 16362 woorden of inmiddels al meer, tel maar na.

Dit bericht werd geplaatst in Boeken, Jusdhaval en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

94 reacties op Jusdhaval (zie een verhaal ontstaan)25962

  1. Spring zegt:

    🙂 Ik vond het nu al jammer dat de laatste woorden al gelezen waren…

  2. Springeding zegt:

    Het wordt vast prachtig.

  3. Anne zegt:

    Echt super goed. Enorm mooi geschreven!

  4. Springedingiedong zegt:

    Dat moet? Nee hoor creativiteit werkt het beste als er geen dwang achter zit.
    Het mag, en dan wordt het prachtig.

  5. jusd zegt:

    Dit is op Jusd herblogden reageerde:

    Update Jusdhaval.. zie een verhaal ontstaan

  6. Anne zegt:

    Echt heel mooi. Ik ben erg onder de indruk van de schrijfstijl.

  7. Springkhaan :-) zegt:

    Dus het verhaal stopt op 26.040? ‘T mag langer hoor. Spannend….;-D

  8. Springinhet veld zegt:

    Nou okidoki dan.. ik verwacht minimaal drie vervolgdelen als het klaar is.
    ghe ghe🙂

  9. Springisnietveeleisend zegt:

    Tis maar een geluk dat je geen veeleisende fans hebt! LOL

  10. Springgaatslapiesdoentrustesjuverrasonsmaarweermetmooiewoorden zegt:

    🙂

  11. jusd zegt:

    Veeleisende fans is geen probleem. Als ze maar geduld hebben..🙂

  12. Spring zegt:

    Deze fan heeft dat wel, de rest vast ook. Veel plezier met schrijven!🙂

  13. Spring zegt:

    LOL dat van die tak in het water is erg leuk.

  14. Spring zegt:

    Precies! Heerlijk en geweldig.😀
    Mag ik daar wonen? Als het goed afloopt tenminste..
    Het wordt echt leuk om te lezen sju.

    • jusd zegt:

      Dit moet goed aflopen, uiteindelijk. Als ik daar rond kijk dan is het prachtig. Een heerlijke plek om te wonen. Maar in dat laatste hoofdstuk…..
      Ik ben blij dat je het leuk vind..🙂

  15. Spring zegt:

    We zijn wel van de smileys he? 🙂😀😉
    Even een testje wat ie bij deze doet –>😛

  16. Spring zegt:

    Ah toch een tongetje.. geinig.:-)

  17. Spring zegt:

    Neeeee het laatste hoofdstuk komt goed..
    Ik geniet ervan dat is zeker!🙂 nou laat de vlooien ons niet bijten vannacht truste,😉

  18. Sringdingetje zegt:

    Maar dat ‘gespuis’ is dan voorlopig even weg dus dan is het voorlopig lekker rustig. Kun je vanavond lekker slapen. Geniet ervan!😉

  19. SPringdingetje zegt:

    Spring is de p vergeten in de naam boven. ach ja..

  20. Pingback: Ik schrijf | Jusd

  21. Spring zegt:

    20/08
    Ah ik staarde mij blind op het douche gordijntje met een engerling erachter.
    Ik ga snel weer lezen..

  22. Spring zegt:

    SJO de SJU!!
    Da’s weer prachtig en jammer dat er maar 7651 woorden zijn..
    Zie? Je kan het hoor! Ik heb genoten.🙂

  23. spring zegt:

    Man! Het wordt steeds beter! Je zit er lekker in he?🙂

  24. Anne zegt:

    Zo ik voelde de weerstand tijdens het lezen toen ik het dorre gebied in liep🙂 weer een mooi en goed geschreven stuk erbij. Leuk hoor. Ik had nog geen tijd gehad om het te lezen, ga er altijd even goed voor zitten. Maar het was weer prachtig. Alleen de eerste alinea van het nieuw geschreven stuk even overlezen, paar tikken op de verkeerde plek gegeven😉 en bij van onder gesteld het derde laatst geschreven stuk het woord strijd. Zijn maar kleinigheidjes, ik weet hoe snel je daar overheen leest als je het zelf schrijft. Heb ik zelf ook altijd namelijk🙂

  25. SPRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRing zegt hoi! zegt:

    Me want MORE..😀

    Ik moest wel diep graven om het artikel te vinden zeg!

  26. Pingback: Jusdhaval (blijft groeien) | Jusd

  27. Pingback: Vandaag weer aan de slag met Jusdhaval. | Jusd

  28. Spring zegt:

    Hoe kom jij aan mijn pasfoto! LOL! (emoe)

    Tis weer heerlijk levendig geschreven en wederom te kort..

  29. Spring zegt:

    Zo he, d’r is best veel bijgekomen sju.
    Tis echt een verhaal wat het wachten waard is en dan lees je een warm bad. Heeeerlijk!
    Ik denk dat iedereen geniet die dit leest.🙂

  30. Pingback: Jusdhaval | Jusd

  31. Spring zegt:

    Sorry dat ik wat laat ben!😛

  32. Spring zegt:

    Goed geschreven weer, zat er helemaal in! Leuk om te lezen hoe je ergens aan kunt beginnen en halverwege denkt.. waar ben ik in godsnaam aan begonnen!!! En toch weet je dat het moet..

  33. Pingback: Jusdhaval en Wie of wat doodde honderden mensen bij het skelettenmeer in India? | Jusd

  34. Spring zegt:

    Spanning en sensatie! Feist moet uitgeschakeld worden! Gaat het lukken denk je sju? Zal het goede overwinnen?😉

  35. Spring zegt:

    Zeg Sju, het wordt weer tijd dat je verder gaat met je verhaal hoor…🙂
    Hihi

  36. Spring zegt:

    Aaah leuk! Maar alleen als je er zin in hebt, het wordt ook heel mooi weer, dan hoor je eigenlijk buiten.. ik zeg, ik wacht nog wel ff.. ik wens je fijne vrije dagen. Enjoy!😀

  37. Spring zegt:

    Toeval bestaat niet.. ja, dan is het tijd dat het verhaal verder gaat Sju —> “the crowd is waiting” LOL! Overigens goed nieuws dat de artikelen over de GGZ zo goed gelezen zijn! Werkze nog even,🙂

  38. Pingback: Jusdhaval.. | Jusd

  39. Pingback: Jusdhaval | Jusd

  40. Pingback: Jusdhaval gaat maar door.. | Jusd

  41. Spring zegt:

    Ga je nog verder? Tis wel tijd hoor..

  42. Spring zegt:

    oeps sorry.. Feist wordt verscheurd..tis al af dus..

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s